Instellingen

13


Als Jezus aankomt in de delen

van Caesarea-van-Filippus
stelt hij zijn leerlingen de vraag
en zegt:
wie zeggen de mensen
dat de mensenzoon is?

14


Zij zeggen: sommigen ‘Johannes de Doper’

anderen ‘Elia’, de overigen ‘Jeremia
of één van de profeten’.

15


Hij zegt tot hen: maar gij,

wie zegt gíj dat ik ben?

16


Ten antwoord zegt Simon Petrus:

u bent de Gezalfde
de zoon van de levende God!

17


Ten antwoord zegt Jezus tot hem:

zalig ben je, Simon Barjona!,
omdat vlees of bloed jou dat niet heeft onthuld
nee, mijn Vader in de hemelen!-

18


en ík zeg jou

dat jij een Petrus,- rotsman, bent:
op deze petra,- rots,
zal ik mijn vergadering bouwen
en de poorten van het schimmenrijk
zullen haar niet te sterk zijn;

19


jou zal ik geven

de sleutels van het koninkrijk der hemelen
en wat je zult binden op de aarde
zal gebonden zijn in de hemelen
en wat je losmaakt op de aarde
zal losgemaakt zijn in de hemelen!