Instellingen

11


Hij komt aan in Jeruzalem,

in het heiligdom;
hij bekijkt alles rondom,
en als het al laat aan de tijd is
gaat hij de stad uit naar Betanië,
met de twaalf.

12


Als ze de volgende morgen weggaan

van Betanië,
krijgt hij honger.

13


Van veraf ziet hij een vijgenboom

die bladeren heeft, en hij komt (ernaartoe)
of hij misschien iets aan haar kan vinden,
en als hij bij haar komt
vindt hij niets dan bladeren;
want het is niet het moment
voor vijgen geweest.

14


Als zijn oordeel zegt hij tot haar:

moge tot in der eeuwigheid nooit meer
iemand een vrucht van jou eten!
Zijn leerlingen hebben dat gehoord.