Instellingen

18


De leerlingen van Johannes

en de Farizeeërs
zijn aan het vasten geweest.
Ze komen en zeggen tot hem:
waarom
vasten de leerlingen van Johannes
en de leerlingen van de Farizeeërs,
maar vasten de leerlingen die u hebt niet?

19


Jezus zegt tot hen:

terwijl de bruidegom bij hen is
zijn de ‘zonen van de bruiloft’ niet bij machte
te vasten,- evenveel tijd
als zij de bruidegom bij zich hebben,
zijn zij niet bij machte te vasten!-

20


maar er zullen dagen komen

dat de bruidegom bij hen is weggehaald,
dán zullen zij vasten,-
op díe dag!-

21


niemand naait een ‘opwerpstuk’ van

ongekrompen stof
op een oud kledingstuk;
anders
haalt de invulling zichzelf ervan los,
het nieuwe van het oude,
en wordt het een ergere scheur;

22


en niemand ‘werpt’ nieuwe wijn

in oude zakken;
anders zal de wijn de zakken scheuren,
en gaat én de wijn verloren én de zakken;
nee: nieuwe wijn in nieuwe zakken!