Instellingen

13


Hij klimt op naar het gebergte,

en roept tot zich wie híj gewild heeft,
en die komen naar hem toe.

14


Hij maakt een twaalftal,-

dat zij bij hem zullen zijn,
en hij hen zal uitzenden om te prediken

15


en gezag te hebben

om de demonieën uit te werpen.

16


Hen maakt hij tot de twaalf:

Simon, aan wie hij de naam Petrus oplegt;

17


Jakobus van Zebedeüs, en Jakobus’ broer

Johannes,
aan wie hij de naam Boanerges oplegt,
dat is: zonen van donder;

18


Andreas, Filippus, Bartolomeüs,

Matteüs, Tomas en Jakobus van Alfeüs,
Taddeüs, Simon de Kananeeër en

19


Judas Isjkariot,

die hem ook heeft prijsgegeven.