Instellingen

45


Meteen ‘dwingt’ hij zijn leerlingen

om in de boot te stappen
en voor hem uit
naar de overkant te gaan, op Betsaïda aan,
totdat hij de schare kan loslaten.

46


Als hij van hen afscheid heeft genomen,

trekt hij weg naar het gebergte
om te bidden.

47


Toen het schemerig werd

is de boot midden op de zee geweest,
en hij, alleen, op het land.

48


Hij ziet hen zwoegen bij het varen,

want de wind is hun tegen geweest,
en omstreeks de vierde wake van de nacht
komt hij naar hen toe, wandelend op de zee,-
hij heeft bij hen willen komen.

49


Maar als zij hem zien wandelen op de zee,

denken ze dat hij een spookverschijning is
en schreeuwen het uit;

50


want allemaal zien ze hem

en zijn ze verbijsterd.
Maar meteen praat hij met hen
en zegt tot hen: houdt moed,
ík ben het, vreest niet!

51


Hij loopt naar hen toe, de boot in,

en de wind bedaart;
maar innerlijk zijn ze nog veel méér
buiten zichzelf geweest;

52


want bij de broden waren ze niet

tot inzicht gekomen,
nee, hun hart is verhard gebleven.

53


Overstekend op het land aan

komen ze aan bij Gennesaret
en gaan voor anker.

54


Als zij de boot uitkomen

herkennen ze hem meteen.

55


Ze zijn heel die streek rondgerend

en beginnen allen die het kwalijk hebben
op de bedden rond te dragen,-
wáár ze maar hebben gehoord dat hij is.

56


En wáár ook hij is binnengetrokken

in dorpen of steden of veldhuizen,
legden ze de zieken op de markten
en hebben ze hem te hulp geroepen,
opdat ze ook maar de kwast
van zijn kleed mochten vastgrijpen;
en evenzovelen als hem vastgrepen
zijn gered.