Instellingen

1


In die dagen,

als er weer een talrijke schare is
en zij niets te eten hebben,
roept hij de leerlingen toe
en zegt tot hen:

2


ik heb deernis over deze schare,

omdat ze nu al drie dagen bij mij blijven
en niets te eten hebben;

3


en als ik hen vastend loslaat

op hun huis aan,
zullen ze onderweg los van alles raken;
en sommigen van hen zijn van ver weg!

4


Dan antwoorden zijn leerlingen hem:

waarvandaan zal iemand bij machte zijn
hen te verzadigen met broden
in de woestijn die het hier is?

5


Hij heeft hun gevraagd:

hoeveel broden hebt ge?,
en zij zeggen: zeven!

6


Dan kondigt hij aan de schare af

dat ze moeten neervallen op de grond;
hij neemt de zeven broden aan,
doet de dankzegging,
breekt, en geeft aan zijn leerlingen
om voor te zetten,
en zij zetten voor aan de schare.

7


Ze hebben ook een paar visjes gehad;

hij zegent die
en zegt dat ze ook die moeten voorzetten.

8


Zij eten en worden verzadigd,

aan overgeschoten brokken halen ze op:
zeven manden.

9


Ze zijn met zo’n vierduizend geweest.

Dan laat hij hen los.