Instellingen

1


Maar Petrus en Johannes zijn opgeklommen

naar het heiligdom,
tegen het gebedsuur dat het negende heet.

2


Ook zomaar een man

die sinds de schoot van zijn moeder lam is,
is daarheen gedragen:
hem zetten ze dag aan dag neer
voor de poort van het heiligdom
welke ‘die van het gebedsuur’ heet,-
om een ontferming* Grieks:eleëmosunè, ons Nederlandse ‘aalmoes’. te vragen
aan wie het heiligdom binnentreden.

3


Hij ziet Petrus en Johannes

op het punt het heiligdom binnen te gaan,-
en heeft gevraagd
dat hij een ontferming* Grieks:eleëmosunè, ons Nederlandse ‘aalmoes’. zou mogen aannemen.

4


Maar Petrus staart hem aan, Johannes ook,

en zegt: kijk ons aan!

5


Maar hij heeft zich bij hen gehouden,

verwachtend dat hij iets van hen zou krijgen.

6


Maar Petrus zegt:

zilver en goud behoort mij niet toe,
maar wat ik heb, dát geef ik je:
in de naam van Jezus Christus,
de Nazoreeër: loop!

7


Hij vat hem bij de rechterhand

en wekt hem op;
op slag worden zijn voeten sterk
en zijn enkels ook;

8


hij springt op en gaat stáán;

hij is gaan lopen
en komt met hen het heiligdom binnen,
lopend, springend en God lovend!

9


Heel de gemeenschap ziet hem lopen

en God loven;

10


maar ze hebben hem herkend: hij was het

die voor z’n ontferming* Grieks:eleëmosunè, ons Nederlandse ‘aalmoes’. neerzat bij
de gebedsuur-poort van het heiligdom,
en zij worden vervuld van
verbazing en verrukking
over wat hem is overkomen.

11


Maar terwijl hij Petrus en Johannes vasthoudt

stroomt bij hen heel de gemeenschap samen
in de zuilengang
met de roepnaam ‘van Salomo’,
uitermate verbaasd.

12


Maar Petrus ziet dat

en antwoordt aan de gemeenschap:
mannen Israëlieten,
wat verwondert ge u hierover
en wat staart ge ons aan?-
alsof we door eigen kracht of vroomheid
hebben gemaakt dat hij kan lopen!-

13


de God van Abraham en Isaak en Jakob,-

de God van onze vaderen
heeft zijn knecht verheerlijkt:
Jezus, die gij hebt prijsgegeven
en voor het aanschijn van Pilatus
hebt verloochend,
hoewel diens oordeel was: loslaten!-

14


maar gíj hebt de heilige

en rechtvaardige verloochend
en gevraagd dat voor u een man die
een móórdenaar was werd begenadigd;

15


maar de leidsman ten leven

hebt ge gedood,-
welke God uit de doden heeft opgewekt:
daarvan zijn wíj getuigen;

16


op grond van het geloof in zijn naam

heeft zijn naam hem (hier)
die ge aanschouwt en van wie ge wéét,
sterk gemaakt,
en het geloof dat door hem (is bewerkt)
heeft hem deze gaafheid van leden gegeven,
tegenover u allen!-

17


welnu broeders, ik weet

dat ge uit on-kennis hebt gehandeld,
zoals ook uw oversten;

18


maar zo heeft God vervuld

wat hij tevoren heeft verkondigd
door de mond van alle profeten:
dat zijn Gezalfde zou lijden;

19


komt dan tot inkeer en keert om,

daartoe dat uw zonden worden uitgewist,

20


opdat van het aanschijn des Heren

momenten van verademing mogen komen,
en hij zal zenden
de voor u bestemde Gezalfde: Jezus,

21


die de hemel moet verwelkomen

tot aan de tijden
van het herstel van alle dingen
waarvan God heeft gesproken
door de mond van zijn heilige profeten
sinds eeuwig;

22


Mozes heeft gezegd

‘de Heer God zal uit uw broeders
een profeet voor u doen opstaan zoals ik;
naar hem zult ge horen
in alles wat hij tot u zal spreken’ (Deut. 18,15-19)

23


maar het zal zo zijn:

‘alle ziel die niet zal
horen naar die profeet
zal uit de gemeente worden weggesneden’

(Lev. 23,29);

24


en alle profeten sinds Samuël

en die van vervolgens,
zovelen als er hebben gesproken,
hebben deze dagen aangekondigd;

25


ú bent de zonen van de profeten

en van het verbond dat God heeft gesloten
met onze vaderen, toen hij tot Abraham zei
‘door uw zaad zullen zich gezegend weten
alle vaderhuizen van het aardland’ (Gen. 22,18);

26


voor ú allereerst heeft God zijn knecht

doen opstaan
en hem gezonden die u tot zegen is,
daarin dat (u) zich afkeert
een ieder van uw boosheden!