Instellingen

1


Ik zeg hiermee:

al de tijd dat de erfgenaam onmondig is,
verschilt hij in niets van een dienstknecht,
terwijl hij aller heer is,

2


maar hij staat onder voogden en huismeesters

tot aan het moment dat de vader
tevoren heeft vastgesteld.

3


Zo waren ook wij

toen we onmondig waren
geknecht
onder de elementen van de wereld.

4


Maar toen de volheid des tijds kwam,

heeft God zijn zoon als afgezant gezonden,
geboren uit een vrouw,
geboren onder een Wet,

5


opdat hij de mensen onder een Wet

zou loskopen,
opdat wij de rang van zonen-en-dochters
zouden mogen ontvangen.

6


Omdat ge zonen-en-dochters zijt

heeft God de Geest van zijn Zoon
uitgezonden onze harten in
en die schreeuwt uit ‘Abba!’, ‘Vader!’

7


Zodat je geen dienstknecht meer bent

maar zoon-of-dochter;
en indien zoon-of-dochter,
dan ook erfgenaam, door God.

8


Echter, tóen hebt ge, niet wetend van God,

goden gediend die het van nature niet zijn,

9


maar nu, nu ge God hebt leren kennen,

of beter: nu ge gekend zijt door God,-
hoe kunt ge nu weer omkeren
naar die zwakke en armzalige elementen
aan wie ge u opnieuw
dienstbaar wilt maken?

10


Bijzondere dagen onderhoudt ge,

en maanden, tijdsgewrichten en jaargetijden!

11


Ik vrees dat ik misschien tevergeefs

aan u gezwoegd heb.

12


Wordt zoals ik, zoals ook ik ben als gij,

broeders-en-zusters, ik smeek het u!
Niet dat ge mij in íets onrecht hebt gedaan;

13


ge weet wel dat ik de eerste keer

in lichaamszwakte
u het evangelie heb verkondigd,

14


en wat voor u een beproeving was

in mijn lichamelijke toestand
hebt ge niet veracht en niet verfoeid;
nee, als was ik een aankondig-engel van God
hebt ge mij ontvangen,
als was ik Christus Jezus!

15


Waar is dan dit zalig geluk van u

gebleven?
Want ik betuig u dat ge zo mogelijk
uw ogen uitgerukt zoudt hebben
om aan mij te geven!

16


Ben ik dan een vijand van u geworden

nu ik u de waarheid zeg?

17


Zij ijveren voor u, maar niet ten goede,

nee, zij willen u zo buitensluiten
dat gij ijvert voor hén.

18


Maar wel is het goed dat er geijverd wordt

in het goede, áltijd,
en niet alleen als ik bij jullie ben,

19


mijn kinderen

voor wie ik opnieuw barensweeën doorsta
totdat Christus in u gestalte heeft gekregen.

20


Ik zou willen dat ik nú bij u was

en mijn stem anders kon laten klinken,
want ik weet niet
hoe ik verder moet met u!

21


Ge moet het me eens zeggen,

gij die onder een wet wilt staan:
hoort ge de Wet niet?

22


Er staat immers geschreven

dat Abraham twéé zonen had,
een uit het dienstmeisje
en een uit de vrije vrouw.

23


Die uit het dienstmeisje

is ‘naar het vlees’ voortgebracht,
en die uit de vrije vrouw
door de belofte.

24


Deze dingen moeten zinnebeeldig

worden verstaan;
want de twee vrouwen zijn twee verbonden;
het eerste is afkomstig van
de berg Sinaï
en brengt knechtschap* Of: dienstbaarheid. voort:
dat is Hagar.

25


‘Hagar’ is de berg Sinaï in Arabië,

en die beantwoordt aan
het Jeruzalem van nu;
want dat leidt met haar kinderen
een dienstknechtelijk bestaan.

26


Maar het Jeruzalem bóven is

een vrije vrouw, en die is onze moeder;

27


er staat immers geschreven:

‘verheug je, onvruchtbare die niet baart,
barst uit en schater,
jij die geen weeën kent,
want talrijker zijn de kinderen
van de verlatene
dan van haar die de man heeft!’ (Jes. 54,1)

28


Welnu, gíj, broeders-en-zusters,

zijt zoals Isaak kinderen van belofte!

29


Maar zoals toen degene die

‘naar het vlees’ is voortgebracht
hem die ‘naar de Geest’* Of: op de wijze van de Geest. kwam
vervolgde,
zo gaat het ook nu.

30


Maar wat zegt de Schrift?

‘Drijf het dienstmeisje en haar zoon uit;
want de zoon van het dienstmeisje
zal niet mee-erven
met de zoon van de vrije vrouw!’

(Gen. 21,10,12)