Instellingen

6


En het geschiedt:

in het voortduren van de oorlog
tussen het huis van Saul
en het huis van David,-
heeft Abner
   zich voortdurend sterker gemaakt
   in het huis van Saul.

7


Saul heeft een bijvrouw gehad

en haar naam is Ritspa, dochter van Aja;
hij (Iesj Bosjet) zegt tot Abner:
waarom ben jij binnengekomen
   bij de bijvrouw van mijn vader?

8


Het laait zeer hoog op bij Abner
   om de woorden van Iesj Bosjet,

en hij zegt:
   ben ik een hondenkop die bij Juda hoort?-

dagelijks bewijs ik mijn vriendschap
   met het huis van Saul, je vader,

aan zijn broeders en aan zijn metgezellen,
en dankzij mij
   bevind je je niet in de hand van David,-

en nu verwijt je mij
   een ongerechtigheid met een vrouw
   vandaag?-

9


zó moge God aan Abner doen

en zó moge hij hem nog meer…!-
ja,
zoals de Ene aan David heeft gezworen,
ja, zó zal ik voor hem doen:

10


het koningschap uit Sauls huis
   voorbij laten gaan,-

en de troon van David
laten opstaan
over Israël en over Juda,
van Dan tot Beëer Sjeva!

11


Hij is niet meer bij machte geweest

om bij Abner een woord te laten terugkeren,-
vanwege zijn vrees voor hem.
••

12


Abner zendt ter plekke boden naar David,
   om te zeggen: van wie wordt het land?,

om te zeggen:
smeed je verbond met mij!,
zie, mijn hand is met jou,
om heel Israël te laten omdraaien naar jou!

13


Hij zegt: goed,

ik
smeed met jou een verbond;
alleen: één woord
vraag ik van jou: dat je toezegt
   dat je mijn aanschijn niet zult zien

tenzij je voor mijn aanschijn
   hebt laten komen:

Sauls dochter Michal,
wanneer je komt om mijn aanschijn te zien!
••

14


En David zendt boden

naar Sauls zoon Iesj Bosjet om te zeggen:
geef mij mijn vrouw Michal,
die ik mij als bruid geworven heb
met honderd voorhuiden van Filistijnen!

15


Dan zendt Iesj Bosjet boden

en neemt haar weg van haar man,
van Paltiël, zoon van Lajisj.

16


Hij gaat met haar mee, haar man,

wenend voortgaand
   achter haar tot bij Bachoeriem;

dan zegt Abner tot hem: ga heen, keer terug!,
   en keert hij terug.

17


Er is intussen een gesprek
   van Abner geweest

met Israëls oudsten, waarin hij heeft gezegd:
zowel gister als eergister zijt ge bezig geweest
David aan te zoeken als koning over u;

18


doet het dan nú!,

want de Ene
heeft over David gezegd, hij heeft gezegd:
door de hand van mijn dienaar David
red ik mijn gemeente Israël
   uit de hand van de Filistijnen

en uit de hand van al hun vijanden!

19


Ook spreekt Abner
   voor de oren van Benjamin;

ook gaat Abner heen
om voor Davids oren, in Hebron,
uit te spreken
al wat goed is in de ogen van Israël
en in de ogen
   van heel het huis van Benjamin.

20


Als Abner bij David in Hebron aankomt

met twintig mannen bij zich,-
maakt David voor Abner
   en de twintig mannen bij hem
   een feestdronk klaar.

21


Abner zegt tot David:

ik zal opstaan en heengaan
en heel Israël verzamelen bij mijn heer,
   de koning,

en zij zullen een verbond met jou smeden
en koning zul je zijn
over alles wat je ziel begeert!
Dan zendt David Abner heen
   en gaat hij in vrede.