Instellingen

1


Als Sauls zoon hoort

dat Abner in Hebron
   de dood heeft gevonden

verslappen zijn handen;
en allen van Israël zijn verbijsterd.

2


Twee mannen, oversten van benden,
   zijn in dienst geweest
   van Sauls zoon;
   de naam van de ene is Baäna

en de naam van de tweede is Rechav,-
zonen van Rimon de Beërotiet,
   uit de zonen van Benjamin;

want ook Beërot
wordt gerekend bij Benjamin,

3


sinds de Beërotieten
   zijn gevlucht naar Gitajim,-

en daar zijn als zwervers-te-gast
   tot op deze dag.

••

4


Van Sauls zoon Jehonatan

is er een zoon die geslagen is
   aan beide voeten;

een zoon van vijf jaren is hij geworden
als het nieuws over Saul en Jehonatan
   uit Jizreël aankomt:

zijn voedster tilt hem op en wil vluchten,
en het geschiedt
als zij zich angstig haast om te vluchten
   dat hij valt en hinkende wordt;
   zijn naam is Mefibosjet.

5


De zonen van Rimon de Beërotiet,
   Rechav en Baäna,
   gaan op weg

en komen in de hitte van de dag aan
bij het huis van Iesj Bosjet;
hij ligt te rusten,
de middagrust.

6


En zie, tot onder in het huis gekomen
   als haalden zij tarwe op,

slaan ze hem dodelijk in de buik;
Rechav en zijn broer Baäna zijn ontsnapt.

7


Ze komen het huis binnen

terwijl hij op zijn bed ligt te rusten
   in zijn rustkamer

en slaan hem zo hard dat ze hem doden;
ze verwijderen zijn hoofd;
ze nemen zijn hoofd mee
en gaan voort
   over de weg door de Arava-steppe,
   heel de nacht door.

8


Met het hoofd van Iesj Bosjet komen ze aan
   bij David
   in Hebron,

en zeggen tot de koning:
ziehier het hoofd van Iesj Bosjet,
zoon van Saul, je vijand,
die je ziel gezocht heeft!-
op deze dag geeft de Ene
   aan mijn heer de koning wraak

op Saul en op zijn zaad!
••

9


David antwoordt Rechav en zijn broer Baäna

de zonen van Rimon de Beërotiet,
   en zegt tot hen:

bij het leven van de Ene
die mijn ziel heeft losgekocht
   uit alle benauwing!-

10


want hij die mij meldde en zei:
   zie, Saul is dood!,

en hij is in eigen ogen
   verkondiger-van-goed-nieuws geweest,

hem heb ik overmeesterd
en omgebracht in Tsiklag,-
   hij die hoopte dat ik hem
   goed-nieuws-loon zou geven;

11


moet ik niet des te meer,

nu boosaardige mannen
een rechtvaardig man in zijn huis
   op zijn rustbank
   hebben omgebracht,


zijn bloed opeisen uit uw hand
en u wegbranden van de aarde?!

12


David gebiedt de hulpjongens
   hen om te brengen,

en zij hakken hun de handen en de voeten af
en zij hangen hen op bij de vijver bij Hebron;
het hoofd van Iesj Bosjet
   hebben ze meegenomen,

en dat begraven ze
   in het graf van Abner in Hebron.