Terug naar zoeken
14:1


Asa doet wat goed is en rechtuit

in de ogen van de Ene, zijn God.

14:2


De altaren uit den vreemde
   en de offerhoogten verwijdert hij,

de standstenen verbrijzelt hij,
en de asjéra-palen hakt hij om.

14:3


Hij zegt tot Juda

dat ze de Ene moeten zoeken,
de God van hun vaderen,-
en het onderricht en het gebod
   moeten dóen.

14:4


Uit alle steden van Juda verwijdert hij

de offerhoogten en de zonnezuilen;
het koninkrijk
   is voor zijn aanschijn in rust.

14:5


Hij bouwt in Juda vestingsteden,-

want het land is stil-en-gerust geweest
en hij heeft in deze jaren geen strijd,
nee, de Ene heeft hem rust geschonken.

14:6


Hij zegt tot Juda:
   laten we deze steden uitbouwen

en omronden met een muur, torens, deuren
   en sluitbalken;

nóg ligt het land voor ons aanschijn,
omdat wij de Ene, onze God,
   hebben gezocht;

wij hebben hem gezocht
en hij schenkt ons rust van rondom!
Zo bouwen zij en zijn zij voorspoedig.

14:7


Asa heeft

een lijfschild en lans dragende legermacht
uit Juda van driehonderdmaal
   een duizendtal,

••
en uit Benjamin
aan dragers van het schild
   en bedreven met de boog

tweehonderdtachtigmaal een duizendtal;
al dezen zijn helden van vermogen.

14:8


Naar hen trekt uit: Zerach de Koesjiet

met een legermacht
   van duizend duizendtallen

en driehonderd wagens;
hij komt tot bij Maresja.

14:9


Asa trekt uit, zijn verschijning tegemoet;

ze scharen zich in strijdslagorde
in de kom van Tsefata bij Maresja.

14:10


Dan roept Asa tot de Ene, zijn God, en zegt:


Ene,

het hoort niet bij u
   om in hulp te onderscheiden
   tussen talrijk en zonder kracht;

help ons, Ene, onze God,
   want op u steunen wij

en met uw naam zijn wij aangekomen
tegen deze menigte;

Ene, onze God zijt gij:

bij u houdt geen sterveling stand!
••

14:11


Dan treft de Ene de Koesjieten,

voor het aanschijn van Asa
   en voor het aanschijn van Juda;

de Koesjieten moeten vluchten.

14:12


Dan achtervolgt Asa hen
   met de manschap die bij hem is
   tot bij Gerar;

er valt van de Koesjieten zoveel
   dat er bij hen niemand meer is,

want zij zijn verbrijzeld
   door de verschijning van de Ene
   en de verschijning van zijn leger;

en zij dragen zeer veel roofgoed mee.

14:13


Ze verslaan

alle steden rondom Gerar,
want over hen is gevallen
   de schrik voor de Ene;

ze behalen buit in alle steden,
want er is in hen overvloedige buit geweest.

14:14


Zelfs de tenten bij de levende have
   hebben zij verslagen;

ze kerkeren wolvee in menigte,
   en kamelen;

dan keren ze terug in Jeruzalem.
••

Lees hoofdstuk 13 | Lees hoofdstuk 15