Terug naar zoeken
19:1


Jehosjafat, de koning van Juda,

keert in vrede terug naar zijn huis,
   naar Jeruzalem.

19:2


Als hij verschijnt, komt naar buiten:

Jehoe, zoon van Chanani, de schouwer;
hij zegt tot koning Jehosjafat:
de boosdoener help je
en de haters van de Ene heb je lief?-
daarom komt er gramschap over je
van voor het aanschijn van de Ene!-

19:3


toch

zijn er ook goede besproken zaken
   bij je te vinden geweest;

want je hebt de asjéra-palen
   weggebrand uit het land

en hebt je hart erop gezet
   om God te zoeken!

19:4


Jehosjafat zetelt in Jeruzalem;

••
hij keert terug
   en trekt met de manschap uit

van Beëer Sjeva tot aan
   het bergland van Efraïm

om hen te laten terugkeren
naar de Ene, de God van hun vaderen.

19:5


Hij stelt rechters aan in het land

in alle versterkte steden van Juda,
   in stad na stad.

19:6


Hij zegt tot de rechters:

ziet in wat ge gaat doen,
want niet voor een mens zult ge rechtspreken
   maar voor de Ene,-

die bij u is in het spreken van recht;

19:7


nu dan,

de schrik van de Ene zij over u;
weest waakzaam in wat ge doet,
want nooit is er
bij de Ene, onze God,
valsheid, opkrikken van het aanschijn
of aanneming van smeergeld!

19:8


Ook in Jeruzalem
   heeft Jehosjafat er aangesteld
   uit de Levieten, de priesters

en uit Israëls vaderhoofden
voor de rechtspraak van de Ene
   en voor de twistgedingen,-

van Jeruzalems ingezetenen.

19:9


Hij gebiedt over hen en zegt:

zó zult ge in ontzag voor de Ene doen,
in trouw en met een hart vol vrede:

19:10


bij elk twistgeding dat op u afkomt
   vanuit uw broeders
   die zetelen in hun steden,

tussen bloed en bloed,
   tussen onderricht en gebod,
   wetten en regels,

zult ge hen waarschuwen
dat zij geen schuld op zich laden
   voor de Ene

en gramschap u en uw broeders
   zal geschieden;

zó zult ge doen en geen schuld op u laden;

19:11


en zie,
   Amarjahoe is hoofd-priester over u
   voor elke zaak van de Ene,

en Zevadjahoe, zoon van Ismaël,
   is de leidsman voor het huis van Juda
   voor elke zaak van de koning,

en beambten zijn de Levieten
   voor uw aanschijn;

weest sterk en doet het,
en de Ene zij met wie goed is!

Lees hoofdstuk 18 | Lees hoofdstuk 20