| 15:1 | Het geschiedt hierna dat Absalom zich eigen maakt een wagen en paarden,- en vijftig man om voor zijn aanschijn uit te snellen.
|
| 15:2 | Absalom heeft vroeg zijn schouders gerecht en is gaan staan op een handbreedte van de weg naar de poort; en het geschiedt: tot alleman die een twistgeding heeft en bij de koning komt om recht roept Absalom en zegt hij: uit welke stad vandaan ben jij?, en zegt hij dan: uit een van de stammen van Israël is je dienaar!,
|
| 15:3 | dan zegt Absalom tot hem: zie in dat je woorden goed en redelijk zijn,- maar iemand die je hoort is er van de kant van de koning niet!
|
| 15:4 | Ook zegt Absalom: wie stelt mij aan als rechter in het land!- dat tot mij zal komen alleman die een twistgeding heeft en een rechtszaak, en hij zal van mij zijn recht krijgen!
|
| 15:5 | Het geschiedde als iemand naderde om zich aan hem te onderwerpen,- dat hij zijn hand uitstak, hem vastgreep en hem een kus gaf.
|
| 15:6 | Zoals hier besproken doet Absalom aan allen van Israël die voor het recht tot de koning komen; zo steelt Absalom het hart van de mannen van Israël. •
|
| 15:7 | Het geschiedt na verloop van vier jaar,- dat Absalom tot de koning zegt: moge ik toch gaan en mijn gelofte betalen die ik aan de Ene heb beloofd in Hebron!-
|
| 15:8 | want je dienaar heeft een gelofte beloofd toen ik in Gesjoer in Aram zat en zei: als ooit de Ene, die doet terugkeren, mij laat terugkeren naar Jeruzalem, dienen zal ik dan de Ene!
|
| 15:9 | Dan zegt de koning tot hem: ga in vrede! Hij staat op en gaat op Hebron aan. •
|
| 15:10 | Maar Absalom zendt ijlboden uit om bij alle stammen van Israël te zeggen: met dat ge zult horen de stem van de ramshoorn, zeggen zult ge dan: koning is nu Absalom, in Hebron!
|
| 15:11 | Met Absalom zijn meegegaan: tweehonderd man uit Jeruzalem, opgeroepenen die in hun onschuld meegingen: zij wisten van alles geen woord.
|
| 15:12 | Dan zendt Absalom iemand om Achitofel de Giloniet, raadgever van David, (te halen) uit zijn stad, uit Gilo, terwijl hij de offerdieren aan het offeren is; zo wordt de samenzwering stevig, terwijl de manschap bij Absalom gaandeweg talrijker wordt.
|
| 15:13 | Als een melder aankomt bij David, zegt hij: het hart van Israëls manvolk is achter Absalom gaan staan* Letterlijk: geworden.!
|
| 15:14 | Dan zegt David tot al zijn dienaren die bij hem in Jeruzalem zijn: staat op, laten we vluchten!, want er zal voor ons geen ontkoming zijn,- weg van Absaloms aanschijn!- haast u om heen te gaan, anders haast hij zich, haalt hij ons in en drijft hij het kwaad over ons: de stad zal hij slaan met de bek van het zwaard!
|
| 15:15 | De dienaars van de koning zeggen tot de koning: geheel zoals mijn heer de koning verkiest,- hier zijn wij, om u te dienen!
|
| 15:16 | De koning trekt (de stad) uit met heel zijn huishouden in zijn voetstappen; wel laat de koning tien vrouwen, bijvrouwen, achter om het huis te bewaken.
|
| 15:17 | Zo trekt de koning (de stad) uit met heel de manschap in zijn voetstappen; ze houden stil bij Huis van Verre,
|
| 15:18 | terwijl al zijn dienaren oversteken op een handbreedte van hem, en alle Kreti en alle Pleti,- alle Gitieten, zeshonderd man die in zijn voetspoor uit Gat gekomen zijn, oversteken aan het aanschijn van de koning.
|
| 15:19 | Dan zegt de koning tot Itai de Gitiet: waarom ga jij óók met ons mee?- keer terug en zetel met de (nieuwe) koning, want je bent een buitenlander, een balling ben je uit je eigen plaats!-
|
| 15:20 | gisteren ben je gekomen, en vandaag zou ik je opjagen om met ons mee te gaan terwijl ik ga waarheen ik gaan kan?- keer terug en laat je broeders terugkeren met jou; vriendschap en trouw!
|
| 15:21 | Itai antwoordt de koning en zegt: bij het leven van de Ene en bij het leven van mijn heer de koning!- ja, op de plaats waar mijn heer de koning zal zijn, óf ten dode óf ten leven, ja daar zal je dienaar zijn!
|
| 15:22 | David zegt tot Itai: ga mee en steek over! Dan steekt hij over, Itai de Gitiet met al zijn mannen en al het kroost dat bij hem is.
|
| 15:23 | Heel het land,- ze wenen met grote stem als allen van de manschap oversteken,- terwijl de koning oversteekt door het beekdal van Kidron en allen van de manschap oversteken voor zijn aanschijn naar de woestijnweg,
|
| 15:24 | en ziedaar ook Tsadok met al de Levieten bij zich, dragend de ark van het verbond van God; ze zetten de ark van God neer, en Abjatar laat (opgangsgaven) opstijgen,- totdat heel de manschap het volbracht heeft over te steken, de stad uit.
|
| 15:25 | De koning zegt tot Tsadok: laat de ark van God terugkeren naar de stad; als ik genade vind in de ogen van de Ene zal hij mij doen terugkeren en laat hij mij de ark en zijn verblijfplaats weer zien;
|
| 15:26 | maar als het zo is dat hij zegt ‘ik heb geen behagen in jou’,- hier ben ik, hij moge met mij doen zoals goed is in zijn ogen! ••
|
| 15:27 | De koning zegt tot Tsadok de priester: ben jij een ziener?- keer terug naar de stad, in vrede!- en Achimaäts, je zoon, en Jehonatan, zoon van Abjatar, deze twee zonen van u met u!-
|
| 15:28 | ziet, ik zal dralen bij de oversteekplaatsen van de woestijn,- totdat er een woord van bij u aankomt om mij iets te melden!
|
| 15:29 | Dan laat Tsadok met Abjatar de ark van God terugkeren in Jeruzalem,- en zetten zij zich daar neer.
|
| 15:30 | David klimt intussen de Olijvenhelling op, bij zijn klim wenend met zijn hoofd omhuld, terwijl hij barrevoets loopt; allen van de manschap die bij hem zijn hebben zich ieder het hoofd omhuld en zijn opgeklommen, klimmend en wenend.
|
| 15:31 | Aan David wordt gemeld en gezegd: Achitofel zit in de samenzweringen met Absalom! En David zegt: verijdel toch de raad van Achitofel, o Ene!
|
| 15:32 | En het geschiedt, als David bij de top is aangekomen waar hij zich zal neerwerpen voor God,- ziedaar, hem komt tegemoet Choesjai de Arkiet,- gescheurd zijn lijflinnen, en –rode– grond op zijn hoofd.
|
| 15:33 | David zegt tot hem: als jij met mij zult oversteken zul je op mij tot een last worden;
|
| 15:34 | maar als je naar de stad terugkeert en tot Absalom zult zeggen ‘jouw dienaar, o koning, wil ik wezen, dienaar van je vader was ik voorheen en nu ben ik dienaar van jou!’- vergruizelen kun je dan voor mij de raad van Achitofel!-
|
| 15:35 | zijn daar niet mét jou Tsadok en Abjatar, de priesters?- geschieden zal het: alle woord dat jij uit het huis van de koning hoort zul je melden aan Tsadok en Abjatar, de priesters!-
|
| 15:36 | zie, daar zijn mét hen hun twee zonen: Achimaäts van Tsadok en Jehonatan van Abjatar; door hun hand zult ge aan mij zenden elk woord dat je hoort!
|
| 15:37 | Zo komt Choesjai, metgezel van David, in de stad,- als Absalom aankomt in Jeruzalem.
|
| Lees hoofdstuk 14 | Lees hoofdstuk 16 |