| 13:1 | Heel het woord dat ik u gebied, dat zult ge waakzaam dóen; voeg er niet bij en schraap er niet vanaf! •
|
| 13:2 | Wanneer opstaat in je kring: een profeet* In veel vertalingen begint hier hoofdstuk 13. of een dromer van een droom,- hij gaf aan jou een teken of een wonder
|
| 13:3 | en uitgekomen is het teken of het wonder waarvan hij tot jou heeft gesproken,- en hij zegt: laten we verdergaan achter andere goden aan, die ge niet kent, en laten we hén dienen!,
|
| 13:4 | hoor niet naar de woorden van die profeet of naar de dromer van die droom; want, op de proef stelt de Ene, uw God, u dan om te weten of ge liefhebt, de Ene, uw God, met heel uw hart en met heel uw ziel!
|
| 13:5 | Achter de Ene zult ge voortgaan en hém vrezen; zíjn geboden zult ge bewaken en naar zíjn stem horen, hém zult ge dienen en aan hém zult ge u hechten!
|
| 13:6 | En die profeet, of die droom-dromer, hij moet worden gedood, omdat hij heeft gesproken van afval, tegen de Ene, uw God, in die u heeft uitgeleid uit het land van Egypte, en die je heeft losgekocht uit het dienaarshuis,- en dat om je af te drijven van de weg waarop de Ene, je God, je heeft geboden te gaan; wegbranden zul je dit kwaad uit je kring!
|
| 13:7 | Wanneer men je mee wil lokken,- je broer, je moeders zoon, of je eigen zoon of je dochter of de vrouw van je schoot of je naaste die je is als je eigen ziel,- verhuld, door te zeggen: laten we meegaan, laten we goden die ánders zijn dienen!- die je nooit gekend hebt, jijzelf noch je vaderen,
|
| 13:8 | uit de goden van de gemeenschappen die je omringen, die je nabij zijn of die ver van je af staan,- van de ene rand van het aardland tot aan de andere rand van het aardland:
|
| 13:9 | wees hem níet ter wille en hoor níet naar hem; laat je oog hem niet verschonen,- je zult geen medelijden hebben en het niet verborgen houden!
|
| 13:10 | Nee, ombrengen!, ombrengen zul je hem,- jouw hand zal het eerste op hem wezen om hem te doden; en de hand van heel de gemeente daarná.
|
| 13:11 | Bekogelen zul je hem met stenen tot hij dood is; omdat hij heeft getracht je weg te drijven van de Ene, je God, die je heeft uitgeleid uit het land van Egypte, uit het dienaarshuis.
|
| 13:12 | En héél Israël,- laten ze horen en vrezen; laten ze niet toevoegen aan het doen van een kwaad als dít woord in je kring! ••
|
| 13:13 | Wanneer je hoort zeggen in één van je steden welke de Ene, je God, je geeft om daar te zetelen:
|
| 13:14 | uitgetrokken zijn mannen, nietsnut-zonen uit je kring, en zij drijven de ingezetenen van hun stad weg door te zeggen: laten we verdergaan en ándere goden dienen!- die ge nog niet kent;
|
| 13:15 | zoeken zul je dan, speuren en vragen, heel goed; en zie, is het wáár, staat het verhaal vast, is dit gruwelijks in je kring gedáán,-
|
| 13:16 | sla en versla dan de ingezetenen van die stad door de bek van het zwaard; ban haar en al wat in haar is en ook haar vee door de bek van het zwaard.
|
| 13:17 | Alles aan buit in haar zul je op een hoop gooien op haar plein; verbranden in het vuur zul je de stad en al haar buit geheel en al, voor de Ene, God-over-jou; wezen zal zij een puinhoop voor eeuwig,- ze zal niet worden herbouwd.
|
| 13:18 | Laat er in je hand niet wát-dan-ook kleven van het ban-goed; opdat de Ene zal omkeren van de gloed van zijn toorn en hij je ontferming zal geven, zich over je zal ontfermen en talrijk maken, zoals hij heeft gezworen aan je vaderen,-
|
| 13:19 | wanneer je hoort naar de stem van de Ene, je God, door al zijn geboden te bewaken die ik je heden gebied,- door te doen wat juist is in de ogen van de Ene, je God. ••
|
| Lees hoofdstuk 12 | Lees hoofdstuk 14 |