Terug naar zoeken
2:1


We wendden ons

en braken op de woestijn in,
   de weg op naar de Rietzee,-

zoals de Ene tot mij had gesproken;
we draaiden om het Seïr-gebergte heen,
   vele dagen lang.

••

2:2


Toen zei de Ene tot mij,- hij zei:

2:3


te veel wordt het voor u

rond te draaien om dit bergland!-
wendt u naar het noorden;

2:4


en de gemeente

moet je gebieden en zeggen:
ge gaat oversteken
door het gebied van uw broeders,
   de zonen van Esau,

die zetelen op de Seïr;
ze zullen bevreesd zijn voor u
maar bewaakt uzelf ten zeerste:

2:5


daagt hen niet uit!-

want ik geef u niets van hun land,
nog niet de weglengte van een voetzool;
want als erfgoed heb ik aan Esau
het Seïr-gebergte gegeven.

2:6


Eten zult ge bij hen kopen -voor geld-
   en dan pas zult ge eten;

en ook water zult ge van hen pachten
   voor geld
   en dan zult ge drinken!

2:7


Want de Ene, God-over-je, heeft je gezegend

bij alle doen van je hand,
en heeft weet gehad van je gang
door deze grote woestijn;
deze veertig jaar is
de Ene, je God, mét je:
het heeft je aan geen woord ontbroken!

2:8


We zijn overgestoken

weg van onze broeders de Esau-zonen
die op de Seïr zetelen,
weg van de weg door de steppe,
weg van Elat en van Etsjon Gever.
••
We wendden ons en staken over,
de weg op van de Moab-woestijn.

2:9


Toen zei de Ene tot mij:

breng Moab niet in het nauw
en daag ze niet uit tot oorlog;
want ik geef je niets van hun land als erfgoed,-
nee, aan de zonen van Lot
heb ik Ar als erfgoed gegeven.

2:10


De Emieten,- vogelverschrikkers,
   hebben daar voorheen gezeten,-

een gemeenschap groot,
   talrijk en hooggebouwd,-
   zoals de Anakieten.

2:11


Zoals de Anakieten worden ook zíj
   als reuzen beschouwd,

en de Moabieten
riepen tegen hen ‘Emieten’,-
   vogelverschrikkers!

2:12


Op de Seïr

zaten de Chorieten,- holbewoners,
voorheen,
maar de zonen van Esau onterfden hen,
roeiden hen uit voor hun aanschijn
en kwamen te zitten op hun plek;
zoals Israël ten slotte heeft gedaan
met het land, zijn erfgoed,
dat de Ene aan hen heeft gegeven.

2:13


‘Nu dan,

staat op en steekt de beek Zered over!’-
we zíjn de beek Zered overgestoken;

2:14


maar de dagen

dat we hebben moeten gaan
   van Kadeesj Barnea

tot waar we de beek Zered
   konden oversteken,

die werden achtendertig jaar,-
totdat er een eind gekomen was
   aan heel die generatie
   van mannen van oorlog
   uit het midden van de legerplaats,

zoals de Ene hun had gezworen;

2:15


en ook is de hand van de Ene
   tegen hen geweest,

om hen te verwarren,
   weg uit het midden van de legerplaats,-

totdat er aan hen een eind gekomen was.

2:16


En het geschiedde, zodra alle oorlogmannen
   van oorlogshelden
   ten einde toe gestorven waren
   uit het midden van de gemeente,-

••

2:17


toen sprak de Ene tot mij en zei:

2:18


jij zult vandaag
   de grens van Moab oversteken bij Ar;

2:19


ben je zover genaderd

dat je tegenover de zonen van Amon staat,
breng ze dan niet in het nauw
   en daag ze niet uit;

want niets
   van het land van de zonen van Amon
   geef ik jou als erfgoed,-

nee, ik heb het aan de zonen van Lot
   als erfgoed gegeven!

2:20


Als een land van reuzen wordt het,
   ook dat, beschouwd;

reuzen zaten daar voorheen,
en de Amonieten
riepen tegen hen ‘Zamzoemieten’,-
   gloeperiken!,

2:21


een manschap groot, talrijk
   en hooggebouwd, als de Anakieten;

toen roeide de Ene hen uit,
   voor hun aanschijn;

ze onterfden hen
   en kwamen te zitten op hun plek,-

2:22


zoals hij gedaan heeft voor de zonen
   van Esau

die nu op de Seïr zitten,-
voor wier aanschijn
   hij de Chorieten heeft uitgeroeid,

zodat ze hen konden onterven
   en op hun plek kwamen te zitten

tot op deze dag;

2:23


en de Avieten,
   die in de dorpen zaten tot aan Gaza:

Kaftorieten die zijn weggetrokken uit Kaftor
hebben hen uitgeroeid
   en zijn gaan zitten op hun plek.

2:24


‘Staat op, breekt op

en maakt de oversteek
over de beek Arnon:
zie eens, ik heb je Sichon,
koning van Chesjbon,
   de Amoriet, met zijn land
   al in handen gegeven:
   begin vast, beërf al,-

daag hem uit tot oorlog!-

2:25


deze dag

begin ik schrik voor jou
   en vrees voor jou te geven

over het aanschijn van de manschappen
onder alle hemelen;
wanneer ze horen
   wat er over jou gehoord gaat worden

zullen ze sidderen en beven
   voor jouw aanschijn!’

2:26


Toen zond ik vanuit de woestijn Kedemot
   boden

tot Sichon, de koning van Chesjbon,-
met woorden van vrede, en liet zeggen:

2:27


ik wil oversteken door uw land,-

over de weg en niets dan de weg zal ik gaan:
ik zal niet afwijken rechts of links;

2:28


eten zult ge me verkopen voor geld
   en dan eet ik,

en water zult ge me geven voor geld
   en dan drink ik;

ik wil alleen maar te voet oversteken,

2:29


zoals de zonen van Esau –doener
   aan mij gedaan hebben

die in Seïr zetelen,
en de Moabieten,
die gezeten zijn in Ar,-
totdat ik de Jordaan oversteek
naar het land
dat de Ene, onze God,
   bezig is aan ons te geven!

2:30


Maar hij heeft het niet gewild,

Sichon, koning van Chesjbon:
ons laten oversteken bij hem;
nee, laten verharden
   heeft de Ene, je God, zijn geest

en zijn hart verstokt,-
met het doel hem op deze dag
   jou in de hand te geven!

••

2:31


Toen zei de Ene tot mij:

zie eens,
ik ben begonnen
   aan jouw aanschijn over te geven

Sichon en zijn land;
begin óók en beërf al,
om zijn land te beërven!

2:32


Toen trok Sichon uit,
   ons tegemoet op Jahats aan,
   hij en heel zijn manschap, ten oorlog.

2:33


Maar de Ene, God-over-ons, gaf hem over
   aan ons aanschijn;

we hebben verslagen: hem, zijn zoon
   en heel zijn manschap.

2:34


We veroverden in dat tijdsgewricht
   al zijn steden

en sloegen elke stad met de ban: manvolk,
de vrouwen en het kroost;
we hebben niets overgelaten
   om te ontsnappen.

2:35


Alleen het vee
   hebben we voor onszelf geroofd,-

en de buit van de steden die we veroverden.

2:36


Vanaf Aroëer,

op de lip van de beek Arnon,
   en de stad die in het beekdal ligt
   tot aan de Gilead

is er geen vesting geweest
die te steil was voor ons;
alles
heeft de Ene, God-over-ons,
   overgegeven aan ons aanschijn.

2:37


Alleen heb je het land van de zonen
   van Amon
   niet mogen naderen,-

alles in handbereik
van de beek Jabok en de steden
   in het bergland,

en al wat de Ene, God-over-ons,
   heeft verboden.

Lees hoofdstuk 1 | Lees hoofdstuk 3