Terug naar zoeken
38:1


Het geschiedt in die tijd:

néér daalt Juda, van bij zijn broeders,-
en buigt af naar een man van Adoelam
wiens naam is Chira.

38:2


Dan ziet Juda daar de dochter
   van een man van Kanaän

wiens naam is Sjoea;
hij neemt haar en komt tot haar.

38:3


Zij wordt zwanger en baart een zoon;

hij roept als zijn naam uit: Eer!

38:4


Nogmaals wordt zij zwanger
   en baart een zoon;

en zij roept als zijn naam uit: Onan!

38:5


En zij voegt nog toe en baart een zoon

en roept als zijn naam uit: Sjela!-
het is geschiedt in Keziev,
   dat zij hem baart.

38:6


Dan neemt Juda een vrouw voor Eer,
   zijn eersteling;

haar naam is: Tamar.

38:7


Maar het geschiedt:

Eer, de eersteling van Juda,
is kwalijk in de ogen van de Ene;
en de Ene laat hem sterven.

38:8


Dan zegt Juda tot Onan:

kom tot de vrouw van je broeder en
word haar zwagerman;
doe zaad opstaan: voor je broeder!

38:9


Maar Onan wéét

dat het zaad niet voor hemzelf zal wezen,
en het is geweest:
als hij kwam tot de vrouw van zijn broeder
   liet hij het verloren gaan op de aarde,

om te voorkomen
   dat hij zaad gaf voor zijn broeder.

38:10


Kwalijk is in de ogen van de Ene
   wat hij heeft gedaan;

en hij laat ook hém sterven.

38:11


Dan zegt Juda tot Tamar,
   zijn schoondochter:

zet je als weduwe neer
   in het huis van je vader,

totdat mijn zoon Sjela groot is,-
want, heeft hij gezegd,
anders sterft ook híj net als zijn broers;
dan gáát Tamar
en zet zich neer in het huis van haar vader.

38:12


Het worden er vele, de dagen;

dan sterft Sjoea’s dochter, Juda’s vrouw;
als Juda zich mag troosten
klimt hij óp, om zijn wolvee te scheren,
hijzelf
en zijn metgezel Chira, de Adoelamiet,
naar Timna.

38:13


Gemeld wordt aan Tamar en gezegd:

ziedaar,
   je schoonvader klimt óp naar Timna
   om zijn wolvee te scheren!

38:14


Dan doet ze de gewaden van
   haar weduwstaat van zich,

bedekt zich met de sluier, omhult zich
en zet zich neer bij de poort van Enajim,-
   tweelingbron,-

dat is op de weg naar Timna;
want ze heeft gezien
   dat Sjela groot geworden is,

en zíj
is niet aan hem tot vrouw gegeven!

38:15


Hij ziet haar, Juda,

en houdt haar voor een hoer;
ze heeft immers haar aanschijn verborgen.

38:16


Hij buigt langs de weg naar haar af

en zegt: toe, mag ik bij jou binnenkomen?-
want hij weet niet
dat zij zijn schoondochter is.
Zij zegt: wat geef je mij
als je bij mij binnenkomt?

38:17


En hij zegt:

ik?, ik zend een geitenbok, uit het wolvee!
En zij zegt:
als je een onderpand geeft
   tot je die hébt gezonden!

38:18


Hij zegt:

wat is het onderpand
dat ik je moet geven?
En zij zegt:
je zegelring, je halssnoer
en je staf die in je hand is!
Hij geeft het haar en komt bij haar binnen,
   en zij wordt zwanger van hem.

38:19


Ze staat op en gaat heen,

en doet haar sluier van zich;
ze trekt de gewaden
   van haar weduwstaat weer aan.

38:20


Dan zendt Juda de geitenbok:

door de hand van zijn metgezel
   de Adoelamiet,

om uit de hand van de vrouw
   het onderpand aan te nemen;

maar hij heeft haar niet gevonden.

38:21


Hij vraagt het

aan de mannen van haar woonplaats en zegt:
wáár is de heiligdomshoer die in Enajim,-
   tweelingbron,
   langs de weg zat?-

en zij zeggen:
nooit geweest hier, een heiligdomshoer!

38:22


Hij keert terug tot Juda

en zegt: ik heb haar niet gevonden;
en de mannen van die plaats zeiden óók:
nooit geweest hier, een heiligdomshoer!

38:23


Dan zegt Juda: ze moet het aannemen,

anders worden wij te schande!-
zie, ik heb deze bok gezonden
en jíj hebt haar niet gevonden!

38:24


Dan geschiedt het,-

zo’n drie maanden later
wordt aan Juda gemeld en gezegd:
   gehoereerd heeft Tamar, je schoondochter!-

en ook: ziedaar, zwanger van hoererij!
Dus zegt Juda:
breng haar naar buiten en
   laat zij worden verbrand!

38:25


Zij, naar buiten gebracht,

zij heeft iemand
   naar haar schoonvader gezonden

om te zeggen:
van de man bij wie dit hoort
ben ik zwanger!-
en ze zegt: tracht toch te herkennen
van wíe
deze zegelring en snoeren en staf zijn!

38:26


Hij herkent ze, Juda,

en zegt: een rechtvaardige is zij en ik niet,
omdat ik haar niet heb gegeven
   aan mijn zoon Sjela!

Hij heeft niet toegevoegd,-
   en haar niet nogmaals bekend.

38:27


En het geschiedt ten tijde dat zij baren zal:

ziedaar, tweelingen in haar schoot!

38:28


En het geschiedt als zij baart:
   één geeft er een hand;

de baarhulp neemt die aan
en bindt om zijn hand een rode draad,
   om te zeggen:

deze is op kop naar buiten gegaan.

38:29


En het geschiedt als hij zijn hand terugtrekt:

daar is zijn broer naar buiten gekomen,
en zij zegt:
wat ben jij doorgebroken,
over jou geldt: ‘doorbraak’!
Hij roept als zijn naam uit: Perets,-
   doorbraak!

38:30


Daarna is zijn broer naar buiten gekomen,

die met de rode draad om zijn hand;
en hij roept als zijn naam uit: Zerach!
••

Lees hoofdstuk 37 | Lees hoofdstuk 39