| 1:1 | Vele malen en op vele wijzen voorheen heeft God gesproken tot de vaderen in de profeten;
|
| 1:2 | op het laatst, in deze dagen, heeft hij gesproken tot ons in een zóón die hij gesteld heeft tot erfgenaam van alles, om wie hij ook de eeuwigheden heeft gemaakt.
|
| 1:3 | Hij is afstraling van zijn glorie en afdruk van zijn bestaan; hij draagt alles door zijn krachtig woord; reiniging van de zonden is zijn daad; hij is gezeten ter rechterhand van de majesteit in den hoge,
|
| 1:4 | méér geworden dan de engelen zoals hij ook een naam voortreffelijker dan de hunne heeft geërfd.
|
| 1:5 | Immers, tot wie van de engelen heeft hij ooit gezegd: ‘mijn zoon ben jij, ik heb jou heden verwekt’ (Ps. 2,7)?, en vervolgens: ‘ik zal hem tot een vader zijn en hij zal mij zijn tot een zoon’ (2 Sam. 7,14)?
|
| 1:6 | En vervolgens, wanneer hij de eerstgeborene binnenbrengt in het wereldhuis, zegt hij: ‘buigen moeten zich voor hem alle engelen van God’ (Ps. 97,7).
|
| 1:7 | En over de engelen zegt hij wel: ‘die zijn engelen maakt tot gedreven geesten en zijn dienaren tot vlammen vuur’ (Ps. 104,4),
|
| 1:8 | maar over de zoon: ‘jouw troon, o God, is tot in de eeuwigheid der eeuwigheid, en de staf van de rechtheid is de staf van zijn koningschap!-
|
| 1:9 | jij hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft jou gezalfd: God, jouw God, met olie van vreugde meer dan je gezellen!’ (Ps. 45,7-8).
|
| 1:10 | En: ‘gij hebt in het begin, Heer, de aarde gegrondvest, en werken van uw handen zijn de hemelen;
|
| 1:11 | zíj gaan teloor, maar gij blijft bestaan; alle zullen zij verouderen als een kleed,
|
| 1:12 | als een mantel zult gij ze oprollen, als een kleed zullen zij ook worden verwisseld; maar gij zijt dezelfde, en uw jaren nemen geen einde!’ (Ps. 102,26-28).
|
| 1:13 | En tot wie van de engelen heeft hij ooit gezegd: ‘zit neer aan mijn rechterhand tot ik je vijanden heb gezet als bankje onder je voeten’ (Ps. 110,1)?
|
| 1:14 | Zijn zij niet allen geesten die in de heilige dienst staan en die uitgezonden worden ten dienste van hen die heil gaan beërven?
|
| Lees hoofdstuk 2 |