Terug naar zoeken
6:1


Daarom, laten we afscheid nemen

van het woord over het begin
van de Gezalfde,
en ons richten op de volkomenheid,
zonder weer een fundament te leggen
van bekering van dode werken,
van geloof in God,

6:2


van een leer over onderdompelingen,

oplegging van handen,
opstanding van doden
en eeuwig oordeel.

6:3


Dit gaan we doen,

voorzover God het toestaat.

6:4


Want zij die het licht hebben ontvangen,

de gaven van het hemelse
hebben geproefd,
deelachtig zijn geworden
aan heilige geestesadem,

6:5


het goede woord van God

hebben geproefd
en de krachten van
een toekomende eeuw,

6:6


en afvallig geworden zijn:

het is onmogelijk om hen
opnieuw tot bekering te brengen,
nu zij voor zich de zoon van God
opnieuw kruisigen en
te schande maken.

6:7


Want een akker die de regen

die veelvuldig over haar komt
opdrinkt en een gewas baart
dat geschikt is voor hen door wie
zij ook bewerkt wordt,
ontvangt zegen van God.

6:8


Maar brengt zij doornen en

distels voort, dan is zij onbruikbaar
en een vervloeking nabij
die eindigt in een verbranding.

6:9


Maar voor u zijn wij overtuigd,

geliefden, van het betere,
dat ook heil inhoudt,-
ook als wij zó spreken.

6:10


Want God is niet zo onrechtvaardig

dat hij uw werk zou vergeten
en de liefde die ge aan zijn naam
betoond hebt, zoals ge de heiligen
gediend hebt en dient.

6:11


Maar wij verlangen ernaar dat

ieder van u dezelfde inzet betoont
voor de volle ontplooiing van de hoop
tot het einde toe,

6:12


opdat ge niet lui wordt,

maar navolgers van hen die
door geloof en geduld
het aangekondigde beërven.

6:13


Want toen God dat aan Abraham

aankondigde, zwoer hij bij zichzelf,
daar hij niemand
groter dan hijzelf had
om bij te zweren, en zei:

6:14


‘voorwaar, zegenend zal ik je zegenen

en vermeerderend zal ik je
vermeerderen’ (Gen. 22,17).

6:15


En zo, geduld oefenend,

verkreeg hij wat was aangekondigd.

6:16


Want mensen zweren bij wat

groter is, en de eed dient
voor hen ter versterking, als einde
aan alle tegenspraak.

6:17


En zo heeft God, toen hij

aan de erfgenamen van het aangekondigde
in alle overvloed de onwrikbaarheid
van zijn wilsbesluit wilde tonen,
het met een eed bekrachtigd,

6:18


zodat wij door twéé

onwrikbare stellingnames,
waarin het onmogelijk is
dat God liegt,
een krachtige aanmoediging hebben,
nu wij gevlucht zijn tot hem,
om ons vast te klampen
aan de hoop die vóór ons ligt.

6:19


In haar hebben wij

een anker voor de ziel
dat veilig en vast is
en ‘binnenkomt tot binnen
het voorhangsel’ (Lev. 16,2.12),

6:20


waar als voorloper voor ons

Jezus is binnengekomen,
toen hij
‘naar de ordening van Melchisedek’ (Ps. 110,4)
hogepriester werd
tot in de eeuwigheid.

Lees hoofdstuk 5 | Lees hoofdstuk 7