| 26:1 | Psalm 26 (25) • Iudica me. (v. David.)
Wees, Ene, mijn rechter, want zo gaaf als ik ben ging ik voort, ✡ bij de Ene wist ik mij veilig, ik wankelde niet.
|
| 26:2 | Ene, keur mij en proef mij, ✡ louter mijn nieren en mijn hart!
|
| 26:3 | Want mij stond voor ogen uw vriendschap, ✡ in trouw aan u heb ik gewandeld.
|
| 26:4 | Ik zat niet neer bij lieden van niets, ✡ bij gluipers kwam ik niet binnen.
|
| 26:5 | Ik haatte de vergadering van kwaadstichters, ✡ bij boosdoeners zat ik niet neer.
|
| 26:6 | Ik was mijn handen in onschuld, ✡ ik maak de omgang om uw altaar, o Ene;
|
| 26:7 | om mij met een stem van dank te doen horen, ✡ om al uw wonderen te vertellen.
|
| 26:8 | Ene, ik had lief de omheining van uw huis, ✡ dat oord, de woning van uw glorie!-
|
| 26:9 | verzamel niet bij zondaars mijn ziel, ✡ niet mijn leven bij mannen van bloed,
|
| 26:10 | die de handen vol hebben aan hoererij, ✡ hun rechterhand vol met smeergeld.
|
| 26:11 | En ik, zo gaaf als ik ben zal ik voortgaan, ✡ koop mij vrij en wees mij genadig!
|
| 26:12 | Mijn voet staat op effen grond; ✡ waar we vergaderd zijn zal ik u zegenen, o Ene!
|
| Lees hoofdstuk 25 | Lees hoofdstuk 27 |