Psalm 53 (52) • Dixit insipiens.(Voor de koorleider, op ‘Ziek-zijn’, een onderwijzing v. David.)
53:2
Dwaas geworden zei er een met heel zijn hart: ‘geen God is ons gebleven!- ✡ ze stichten verderf, begaan gruwelijk onheil,- geen is er die goed doet!’
53:3
God keek uit de hemelen neer over de zonen van Adam, om te zien of er een was met inzicht, ✡ een die zoekende was naar God.
53:4
Maar alles was afgeweken, eendrachtig bedorven, geen die goed deed, ✡ niet een meer, zelfs niet een.
53:5
Wisten zij van niets, die aanstichters van onheil, uitvreters van mijn gemeente, die zij vraten als brood?- ✡ God riepen zij niet aan!
53:6
Daar had je ze,- geschrokken: een en al schrik, terwijl er niets te schrikken was, want God had verstrooid de beenderen van je belager,- ✡ je kon ze beschamen omdat God ze had verworpen!
53:7
Wie geeft uit Sion Israël redding?- God, als hij een keer brengt in de kerkering van zijn gemeente! ✡ dan zal Jakob juichen en Israël zich verheugen!