| 9:1 | Waarheid spreek ik, één met Christus lieg ik niet, terwijl één met de heilige Geest mijn mede-geweten het medebetuigt:
|
| 9:2 | dat er bij mij grote droefheid is en een niet aflatende pijn in mijn hart.
|
| 9:3 | Want ik heb gebeden dat ik vervloekt mocht zijn, ikzelf los van de Gezalfde ter wille van mijn broeders-en-zusters, naar vlees-en-bloed mijn medegeborenen;
|
| 9:4 | zij zijn Israëlieten, van hen zijn de aanneming tot zonen-en-dochters, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de eredienst en de aankondigingen;
|
| 9:5 | van hen zijn de vaderen en uit hen is de Gezalfde, naar vlees-en-bloed,- die over allen God is, te zegenen tot in de eeuwigheden. Amen.
|
| 9:6 | Maar het is niet zo dat het woord van God uitgevallen is. Want niet allen die uit Israël zijn, zíjn Israël,
|
| 9:7 | en niet omdat ze zaad van Abraham zijn, zijn allen kinderen; nee: ‘in Isaak zal voor jou zaad geroepen worden’ (Gen. 21,12)!
|
| 9:8 | Dat is: niet de kinderen van het vlees zijn de kinderen van God, maar de kinderen van de aankondiging worden tot zaad gerekend.
|
| 9:9 | Want een aankondiging is dit woord wél: ‘tegen deze tijd zal ik komen en zal er voor Sara een zoon zijn!’
(Gen. 18,10-14).
|
| 9:10 | Maar dit staat niet alleen, nee, denk ook aan Rebekka, die zwanger was vanuit één man, onze vader Isaak:
|
| 9:11 | toen zij nog niet geboren waren en nog niet iets goeds of slechts bedreven hadden, werd -zodat het verkiezende voornemen van God zou blíjven,
|
| 9:12 | niet vanuit werken maar vanuit het feit dat hij roept- tot haar gezegd: ‘de meerdere zal de mindere dienen’ (Gen. 25,23)!-
|
| 9:13 | overeenkomstig wat geschreven staat: ‘Jakob heb ik liefgehad en Esau heb ik gehaat!’ (Mal. 1,2-3).
|
| 9:14 | Wat zullen wij dan zeggen? Dat er onrechtvaardigheid is bij God? Dat zij verre!
|
| 9:15 | Want tot Mozes zegt hij: ‘ik zal mij ontfermen over wie ik mij maar ontferm, en ik zal mij erbarmen over wie ik mij maar erbarm!’
(Deut. 32,4; Ex. 33,19).
|
| 9:16 | Dus dan is het niet iets van wie iets wil of van hem die loopt, maar van de God die zich ontfermt.
|
| 9:17 | Want de Schrift zegt tot Farao: ‘daartoe heb ik jou opgewekt, opdat ik in jou mijn kracht zal tonen en opdat mijn naam verkondigd zal worden op heel de aarde!’ (Ex. 9,16).
|
| 9:18 | Dus dan ontfermt hij zich over wie hij wil, en wie hij wil verhardt hij.
|
| 9:19 | Je zult me dan wel zeggen: wat klaagt hij nog?- want weerstond iemand zijn wil?
|
| 9:20 | Maar mens, wie ben jij dan wel als je God zo antwoordt?- zal het geformeerde tot de formeerder zeggen: ‘waarom heb je me zó gemaakt?’ (Jes. 29,16).
|
| 9:21 | Of heeft de pottenbakker geen vrijmacht om uit hetzelfde leem het ene voorwerp te maken voor iets eervols en het andere voor iets on-eervols?
|
| 9:22 | En als God nu eens, om zijn toorn te tonen en zijn kracht te doen kennen voorwerpen van toorn, voor ondergang toebereid, in zijn overvloedige lankmoedigheid heeft gebracht,-
|
| 9:23 | ook om de rijkdom van zijn heerlijkheid te doen kennen over voorwerpen van ontferming, die hij tevoren gereed heeft gemaakt voor heerlijkheid?
|
| 9:24 | En wel ons, die hij heeft geroepen niet alleen uit Judeeërs maar ook uit heidenvolkeren,
|
| 9:25 | zoals hij ook in Hosea zegt: ‘wat geen gemeente was, zal ik roepen als mijn gemeente, en haar die niet bemind werd als beminde;
|
| 9:26 | het zal zijn in plaats van waar tot hen gezegd werd ‘mijn gemeente zijt gij niet’, daar zullen ze genoemd worden ‘zonen-en-dochters van een levende God’
(Hos. 2,25; Hos. 2,1).
|
| 9:27 | En Jesaja schreeuwt over Israël: ‘al is het getal van de zonen-en-dochters van Israël als het zand van de zee, het overblijfsel zal worden gered;
|
| 9:28 | want volbrengend en verhaastend zal de Heer op de aarde een woord dóen!’
(Jes. 10,22-23; Hos. 2,1).
|
| 9:29 | En zoals Jesaja voorzegd heeft: ‘als de Heer Sabaooth ons geen zaad had overgelaten, waren wij als Sodom geworden en aan Gomorra gelijk geworden!’
(Jes. 1,9).
|
| 9:30 | Wat zullen wij dan zeggen? Dat volkeren die geen gerechtigheid najoegen gerechtigheid ontvangen hebben, gerechtigheid uit geloof,
|
| 9:31 | maar dat Israël, dat een Wet vol gerechtigheid najaagt, zo’n Wet niet bereikt heeft.
|
| 9:32 | Waardoor? Omdat het niet uit geloof was maar als uit werken. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots,
|
| 9:33 | zoals geschreven staat: ‘zie, ik zet in Sion een steen van aanstoot neer en een rots van struikeling, en wie op hem in geloof vertrouwt zal niet worden beschaamd!’
(Jes. 8,14; 28,16).
|
| Lees hoofdstuk 8 | Lees hoofdstuk 10 |