Instellingen

1


Een goede naam gaat boven goede olie;

de dag van de dood
boven de dag van iemands geboorte.

2


Groter goed is het

om te gaan naar een huis in rouw
dan te gaan naar een huis
   waar een feestdronk is;

in het eerste weet je:
dat is het einde van heel de mensheid,-
en wie leeft geeft dat een plaats in zijn hart.

3


Verdriet hebben is groter goed dan lachen,-

want door een kwalijk aanschijn
   gaat het hart goed.

4


Het hart van wijzen is bij een huis in rouw

en het hart van dwazen
   bij een huis in vreugde.

5


Groter goed is het

een berisping van een wijze te horen
dan dat iemand
hoort naar het zingen van dwazen.

6


Want als het geluid van de stookdorens
   onder de stookpot,

zo klinkt het lachen van de dwaas;
ook dat is ijlheid,

7


al kan de verdrukking een wijze dol maken,-

en een geschenk een hart verloren laten gaan.

8


Het uiteindelijke van een bespreking
   is groter goed dan z’n begin;

groter goed is
   een lange adem boven hoogheid van geest;

9


wees nooit te snel verbijsterd en geërgerd
   in je gemoed,-

want ergernis
rust in de boezem van de dwazen.

10


Zeg niet: wat is er geschied

dat de dagen van vroeger
een groter goed geweest zijn dan die van nu?,
nee, het getuigt niet van wijsheid
   als je zoiets vraagt.

11


Wijsheid is net zo goed als een erfdeel,-

een voordeel voor wie de zon zien.

12


Want in de beschutting van de wijsheid
   is het als in de beschutting van geld,-

en het is een voordeel om te weten
dat de wijsheid haar bezitters doet leven.

13


Bezie wat God heeft gemaakt;

wel, wie is bij machte op orde te brengen
wat hij krom heeft gelaten?

14


Is de dag goed, wees dan goed gestemd,

en is het een kwade dag, zie dan in:
samen met die heeft God
ook deze gemaakt!,
om het blote feit
dat de mens niet wat-dan-ook
   kan uitvinden over wat ná hem komt.

15


Allerlei ben ik gaan zien
   in mijn ijle dagen:

er is een rechtvaardige
   die verloren gaat in zijn rechtvaardigheid

en er is een boosdoener
die het lang maakt in zijn kwaadheid!-

16


wees dan niet al te rechtvaardig

en niet overdreven wijs:
waarom zou je jezelf vernielen?

17


Wees niet al te boosaardig
   en word geen dwaas:

waarom zou je sterven
   als het je tijd niet is?

18


Goed is het één ding vast te houden

en ook van het ander
   je hand niet af te trekken,-

want wie ontzag heeft voor God
   ontkomt aan van alles.

19


De wijsheid verleent de wijze meer sterkte,-

dan de tien machthebbers
die er in de stad geweest zijn.

20


Ja, een mens:

geen is er zo rechtvaardig op aarde,-
dat hij enkel goed doet en nooit zondigt.

21


Ook moet je niet je hart geven

aan alle woorden die ze spreken,-
dan hoor je het tenminste niet
   als je dienaar je vervloekt.

22


Want ook vele malen -weet je hart wel-

heb jij ook anderen vervloekt.

23


Dit alles heb ik beproefd om de wijsheid;

zei ik: ik wil wijs worden,
dan was zij des te verder van mij weg.

24


Ver weg is dat wat is geworden,-

en diep, heel diep: wie zal het vinden?

25


Ik draaide om, ik,

en zette mijn hart erop
om te leren kennen en na te speuren,
en te zoeken: wijsheid en doordachtheid,-
en om te leren kennen
   boosaardigheid, dwaasheid,

domheid en gekte.

26


Ik vond iets, ik, bitterder dan de dood:

een vrouw die een en al vangnet is,
   een fuik haar hart en boeien haar handen;

wie goed is
voor het aanschijn van God
   zal aan haar ontsnappen,

maar een zondaar raakt in haar verstrikt.

27


Zie, dit heb ik gevonden,

heeft Vergaarder gezegd,-
het een bij het ander
   om iets doordachts te vinden,

28


terwijl mijn ziel nog steeds zoekende is
   naar wat ik niet heb gevonden:

van een echt mens
heb ik er een uit duizend gevonden
maar een vrouw kon ik bij die allen
   niet vinden.

29


Alleen heb ik, zie toch aan, dit gevonden:

dat God de mensheid réchtuit heeft gemaakt,
maar zij zijn vele bedenksels
   gaan zoeken.