Terug naar zoeken
1:1


Het spreken van de Ene geschiedt

aan Jona, zoon van Amitai, en zegt:

1:2


sta op, ga op weg

naar Ninevee, die grote stad,
   en roep over haar uit,-

dat hun kwaad is opgeklommen
   tot voor mijn aanschijn!

1:3


Dan staat Jona op,
   om naar Tarsjiesj te vluchten,

weg van het aanschijn van de Ene;
hij daalt af naar Jafo,
   vindt een schip
   dat in Tarsjiesj aan zal komen,
   geeft de prijs die het vraagt
   en daalt daarin af
   om met hen in Tarsjiesj aan te komen,

weg van het aanschijn van de Ene.

1:4


De Ene heeft toen

een grote geestesadem naar de zee gesmeten,
en er geschiedt op zee een grote storm;
het schip dacht
   dat het zou breken.

1:5


De bootslui worden bevreesd

en schreeuwen het uit, ieder tot zijn god;
ze smijten de spullen
   die ze in het schip hebben
   de zee in

om het daarvan lichter te maken;
Jona is intussen
afgedaald in de holtes onder het dek
en ligt daar als verdoofd.

1:6


De kapitein nadert tot hem

en zegt tot hem:
   hoe kun jij zo verdoofd zijn,-

sta op en roep tot je god!,
misschien
heeft die god heugenis aan ons
   en vergaan wij niet!

1:7


En ze zeggen, alleman

tot zijn naaste:
gaat mee, dan werpen we loten
en zullen we weten
   door wie ons dit kwaad treft!

Ze werpen loten
en het lot valt op Jona.

1:9


Hij zegt tot hen:
   ik ben een HebreeĆ«r,- een oversteker;

de Ene,
de God des hemels vrees ik,-
die de zee en het droge heeft gemaakt!

1:10


Met grote vrees

worden de mannen bevreesd,
en zeggen tot hem:
   wat heb je dan wel gedaan?-

want de mannen weten
dat hij voor het aanschijn van de Ene
   op de vlucht is,

nadat hij hun dat heeft gemeld.

1:11


Dan zeggen ze tot hem:
   wat moeten we met jou doen,

om te zorgen dat de zee ons met rust laat?
Want de zee wordt
   gaandeweg stormachtiger.

1:12


Hij zegt tot hen:

tilt mij op en smijt mij in de zee,
dan zal de zee u met rust laten;
want ik weet
dat door mij
deze grote storm u overkomt!

1:13


De mannen roeien

om het schip te laten terugkeren
   naar het droge,

maar kunnen het niet aan
want de zee
wordt gaandeweg stormachtiger tegen hen.

1:14


Dan roepen zij de Ene aan en zeggen:

ach, Ene, laat ons toch niet vergaan
om lijf-en-ziel van deze man,
en reken ons geen onschuldig bloed aan,-
nu gij, Ene,
hebt gedaan zoals u behaagt!

1:15


Als zij Jona optillen

en in de zee smijten,
komt de zee tot stilstand
   en woedt hij niet meer.

1:16


Dan vrezen de mannen met grote vreze
   de Ene;

zij offeren een offerande aan de Ene
en beloven geloftes.

1:8


Ze zeggen tot hem:

meld ons toch
voor wie dit kwaad ons treft;
wat is je taak
   en waar kom je vandaan?-

wat is je land
   en van welke gemeenschap ben jij?

Lees hoofdstuk 2