Terug naar zoeken
13:1


Drie jaar na het twintigste jaar

dat Joasj, zoon van Achazjahoe
   koning was over Juda,-

is Jehoachaz, zoon van Jehoe,
   koning geworden

over Israël,
voor zeventien jaar.

13:2


Hij doet wat kwaad is
   in de ogen van de Ene,-

en gaat de zonde achterna
   van Jerobeam, zoon van Nevat,
   waarmee hij Israël heeft laten zondigen;
   hij is van haar niet afgeweken.

13:3


Dan ontbrandt tegen Israël
   de toorn van de Ene;

hij geeft hen over
in de hand van Chazaël, koning van Aram
en in de hand van Chazaëls zoon
   Ben Hadad,
   al de dagen.

13:4


Maar Jehoachaz zoekt de zachtheid
   van het aanschijn van de Ene,-

en de Ene hoort naar hem,
omdat hij Israëls verdrukking heeft gezien,
hoe Arams koning hen verdrukt heeft.

13:5


Dan geeft de Ene Israël een redder,

die hen uitleidt
van onder de hand van Aram,-
zodat de zonen en dochters van Israël
   in hun tenten kunnen zitten
   als gister en eergister.

13:6


Alleen zijn ze niet afgeweken
   van de zonde van Jerobeams huis
   waarmee het Israël heeft laten zondigen,-
   in haar zijn ze voortgegaan;

dus is de asjéra-paal
in Samaria blijven staan.

13:7


Want hij heeft voor Jehoachaz
   geen manschap overgelaten

behalve vijftig ruiters, een tiental wagens
en tien duizendtallen voetvolk;
want Arams koning
   heeft hen laten óndergaan

en hen gemaakt als het stof bij het dorsen.

13:8


Het overige van de uitspraken over Jehoachaz,

al wat hij heeft gedaan en zijn heldhaftigheid,-
staan die niet geschreven
op de boekrol
   van de besprekingen der dagen
   van de koningen van Israël?

13:9


Jehoachaz legt zich neer bij zijn vaderen,

en ze begraven hem in Samaria;
zijn zoon Joasj wordt koning in zijn plaats.

13:10


Zeven jaar na het dertigste jaar

dat Joasj koning van Juda is,-
is Jehoasj, zoon van Jehoachaz,
   koning geworden over Israël,

voor zestien jaar.

13:11


Hij doet wat kwaad is in de ogen van de Ene,-

hij is niet afgeweken van de zonde
van Jerobeam de zoon van Nevat,
   waarmee die Israël heeft laten zondigen,
   in haar is hij voortgegaan.

13:12


Het overige van de uitspraken over Joasj
   en al wat hij heeft gedaan
   en zijn heldhaftigheid

waarmee hij oorlog heeft gevoerd
met Juda’s koning Amatsja,-
staan die niet geschreven
op de boekrol
   van de besprekingen der dagen
   van de koningen van Israël?

13:13


Joasj legt zich neer bij zijn vaderen

en Jerobeam is gaan zitten op zijn troon;
Joasj wordt begraven in Samaria,
bij de koningen van Israël.

13:14


Elisja is ziek geworden, die ziekte van hem

waaraan hij zal sterven;
tot hem daalt af Israëls koning Joasj:
hij huilt het uit over zijn verschijning en zegt:
vader, vader van mij,
wagens van Israël en zijn ruiters!

13:15


Maar Elisja zegt tot hem:

haal een boog, en pijlen!-
en hij haalt voor hem een boog en pijlen.

13:16


Dan zegt hij tot Israëls koning:

strijk met je hand over de boog!,
en hij strijkt erover met zijn hand;
dan legt Elisja zijn handen
   op de handen van de koning,

13:17


en zegt:

open het venster aan de oostkant!,
   en hij opent het;

dan zegt Elisja: schiet!, en hij schiet,
en hij zegt:
een pijl van redding door de Ene,
   een pijl van redding op Aram!-

je zult bij Afek Aram slaan
   tot het helemaal weg is!

13:18


Dan zegt hij:

haal de pijlen op!, en hij haalt ze;
hij zegt tot Israëls koning:
   sla ermee op de aarde!,

en hij slaat er drie keren mee en staat dan stil.

13:19


De man Gods valt woedend tegen hem uit

en zegt: met vijf of zes keren slaan,
dán had je Aram geslagen
   tot het helemaal weg was;

maar nu
sla je Aram maar drie keren!
••

13:20


Dan sterft Elisja en begraven ze hem.

Jaar op jaar komen benden uit Moab
   het land binnen.

13:21


En het geschiedt

als zij een man aan het begraven zijn:
ziedaar, ze zien de bende
en werpen de man in het graf van Elisja;
zij gaan weg, maar de man raakt
   de beenderen van Elisja aan,

wordt levend en verrijst op zijn voeten.

13:22


Chazaël, de koning van Aram,

heeft Israël verdrukt,-
al de dagen van Jehoachaz.

13:23


Maar de Ene is hun genadig geweest,
   heeft zich over hen ontfermd
   en zich tot hen gewend,

omwille van zijn verbond
met Abraham, Isaak en Jakob;
hij heeft hen niet weggezonden
   van voor zijn aanschijn, tot nu toe.

13:24


Chazaël, koning van Aram, sterft,-

en zijn zoon Ben Hadad
   wordt koning in zijn plaats.

13:25


Jehoasj zoon van Jehoachaz, keert terug

en ontneemt aan de hand van Chazaëls zoon
   Ben Hadad

de steden die hij in de oorlog heeft ontnomen
aan de hand van Jehoachaz, zijn vader;
drie keren heeft Joasj slag geleverd
en keert hij met Israëls steden terug.

Lees hoofdstuk 12 | Lees hoofdstuk 14