| 13:1 | Hierna geschiedt het: Davids zoon Absalom heeft een knappe zuster en haar naam is Tamar,- en op haar wordt verliefd: Davids zoon Amnon.
|
| 13:2 | Het benauwt Amnon, tot ziekwordens toe,- omwille van Tamar, zijn zus, want zij is maagd, en het is onmogelijk in Amnons ogen om haar wat-ook-maar aan te doen.
|
| 13:3 | Amnon heeft een metgezel, zijn naam is Jonadav, zoon van Sjima, broer van David; deze Jonadav is een zeer wijs man.
|
| 13:4 | Hij zegt tot hem: waarom wel ben jij zo minnetjes, zoon van de koning,- ochtend aan ochtend?- wil je dat niet aan mij melden? Amnon zegt tot hem: op Tamar, een zus van mijn broer Absalom ben ik verliefd!
|
| 13:5 | Dan zegt Jehonadav tot hem: ga liggen op je ligbank en houd je ziek; zal je vader komen om je te zien, zeggen zul je dan tot hem: moge toch komen mijn zuster Tamar en mij verkwikken met brood, ze moet voor mijn ogen de verkwikking klaarmaken zodat ik het kan zien; eten zal ik dan uit haar hand!
|
| 13:6 | Amnon gaat liggen en houdt zich ziek; als de koning komt om hem te zien zegt Amnon tot de koning: moge toch komen mijn zuster Tamar, en voor mijn ogen twee hartenkoekjes hardmaken, dan vind ik verkwikking uit haar hand!
|
| 13:7 | David zendt bericht naar Tamars huis en laat zeggen: ga toch naar het huis van Amnon, je broer, en maak voor hem de verkwikking klaar!
|
| 13:8 | Dan gaat Tamar naar het huis van Amnon, haar broer, die daar ligt; zij neemt het deeg, kneedt het, maakt voor zijn ogen harten, en kookt de hartenkoeken.
|
| 13:9 | Ze neemt de pan op en zet ze voor zijn aanschijn neer; maar hij weigert te eten; Amnon zegt: doet alleman naar buiten, bij mij vandaan!- en ze gaan naar buiten, alleman, bij hem vandaan.
|
| 13:10 | Dan zegt Amnon tot Tamar: kom met de verkwikking in de binnenkamer, dan verkwik ik mij uit jouw hand! En Tamar neemt de hartenkoeken die ze gemaakt heeft op en komt daarmee binnen bij Amnon, haar broer, in de binnenkamer;
|
| 13:11 | ze reikt ze hem aan om te eten; maar hij grijpt haar vast en zegt tot haar: kom hier, slaap met mij, zusje van mij!
|
| 13:12 | Zij zegt tot hem: nee, broer van mij, verneder mij niet, want zo doet men niet in Israël; doe deze dwaasheid niet!-
|
| 13:13 | ik, waarheen moet ik gaan met mijn schande!, en jij, jij wordt als de eerste de beste van de dwazen in Israël; nu dan, spreek toch tot de koning, want die zal mij niet aan jou onthouden!
|
| 13:14 | Maar hij heeft niet naar haar stem willen horen: hij is sterker dan zij, vernedert haar en ligt bij haar neer.
|
| 13:15 | En dan haat Amnon haar met een zeer grote haat, ja, groter is de haat waarmee hij haar haat dan de liefde waarmee hij op haar verliefd is geweest; en Amnon zegt tot haar: sta op, ga weg!
|
| 13:16 | Zij zegt tot hem: daar is geen reden voor,- dit kwaad zou groter zijn dan het andere dat je met mij hebt gedaan, mij heenzenden! Maar hij heeft niet naar haar willen horen.
|
| 13:17 | Hij roept zijn hulpjongen, zijn bediende, en zegt: zenden jullie haar toch bij mij vandaan, naar buiten!, en vergrendel de deur achter haar!
|
| 13:18 | Zij heeft een veelkleurige mantel aan, want zó kleden zich de dochters van de koning die maagd zijn van oudsher; als zijn bediende haar uitdrijft naar buiten en de deur achter haar heeft vergrendeld,
|
| 13:19 | neemt Tamar as op haar hoofd en de veelkleurige mantel die zij aanhad heeft ze verscheurd; ze legt haar hand op haar hoofd en gaat en gaat maar, heeft het uitgeschreeuwd.
|
| 13:20 | Dan zegt haar broer Absalom tot haar: is je broer Aminon bij je geweest?- nu dan, zus van mij, zwijg,- hij is je broer, zet niet je hart op deze zaak! Verlaten blijft Tamar zitten in het huis van haar broer Absalom.
|
| 13:21 | Als ten slotte koning David al deze besproken zaken heeft gehoord,- ontbrandt het bij hem bovenmate.
|
| 13:22 | Nooit meer heeft Absalom met Amnon gesproken ten kwade of ten goede; want Absalom is Amnon gaan haten om de zaak dat hij zijn zuster, Tamar, heeft vernederd. •
|
| 13:23 | Het geschiedt na een dubbeljaar aan dagen: dat Absalom schaapscheerders aan het werk heeft in Baäl Chatsor dat bij Efraïm ligt,- en dat Absalom alle zonen van de koning bijeenroept.
|
| 13:24 | Dan komt Absalom bij de koning en zegt: zie toch, je dienaar heeft schaapscheerders aan het werk!- laat toch de koning en zijn dienaren met jouw dienaar meegaan!
|
| 13:25 | Maar de koning zegt tot Absalom: nee, mijn zoon, wij kunnen toch niet allemaal meegaan?, we mogen niet te zwaar op je drukken! Hoe hij ook bij hem aandringt, hij heeft niet mee willen gaan en zegent hem (ten afscheid).
|
| 13:26 | Dan zegt Absalom: zo niet, laat dan toch mijn broer Amnon met ons meegaan!, en de koning zegt tot hem: waarom zou hij met jou meegaan?
|
| 13:27 | Maar als Absalom bij hem aandringt,- zendt hij Amnon met hem mee en alle koningszonen. ••
|
| 13:28 | Absalom gebiedt zijn hulpjongens en zegt: ziet toch toe, wanneer Amnons hart goedgestemd is door de wijn en ik tot u gezegd heb: slaat Amnon neer!, doodt hem dan, weest niet bevreesd; is het niet omdat ik het u heb geboden?- weest sterk en doet al wat ge vermoogt!
|
| 13:29 | Dan doen de jongens van Absalom aan Amnon zoals Absalom heeft geboden; alle koningszonen staan op en rijden, ieder op zijn muildier, weg en vluchten.
|
| 13:30 | En het geschiedt terwijl zij onderweg zijn dat het horen-zeggen al is aangekomen bij David; gezegd wordt: Absalom heeft alle koningszonen neergeslagen, niet één is er van hen overgebleven! ••
|
| 13:31 | De koning staat op, scheurt zijn gewaden en legt zich ter aarde, met al zijn dienaren bij hem geposteerd, hun gewaden gescheurd. ••
|
| 13:32 | Dan antwoordt Jonadav, zoon van Davids broer Sjima en zegt: mijn heer moet niet nazeggen ‘al de jongens, de zonen van de koning, hebben ze gedood!’- want Amnon, alleen hij is dood; want dat is op Absaloms mond gelegen geweest vanaf de dag dat hij Tamar, zijn zus, vernederde;
|
| 13:33 | dus moet nú mijn heer de koning niet een woord in zijn hart toelaten dat zegt ‘alle zonen van de koning zijn gedood!’- want alleen Amnon is dood! •
|
| 13:34 | Absalom is op de vlucht; dan heft de jongen die op de uitkijk staat zijn ogen op en ziet: ziedaar een menigte manschap!- ze gaan voort van de weg af, achter hem, langs de flank van de berg.
|
| 13:35 | Jonadav zegt tot de koning: zie, de koningszonen zijn gekomen,- zoals je dienaar heeft verwoord, zó is geschied!
|
| 13:36 | En het geschiedt, met dat hij is uitgesproken: zie, de koningszonen zijn aangekomen, verheffen hun stem en wenen; ook de koning en al zijn dienaren hebben geweend met zeer groot geween.
|
| 13:37 | Absalom is gevlucht en gaat naar Talmai, zoon van Amihoed, koning van Gesjoer. Hij (David) draagt rouw over zijn zoon, al de dagen.
|
| 13:38 | Absalom is gevlucht en naar Gesjoer gegaan; hij blijft daar drie jaren.
|
| 13:39 | Dan houdt de geest van de koning ermee op uit te trekken naar Absalom; want hij heeft troost gevonden over Amnon, dat hij dood is. ••
|
| Lees hoofdstuk 12 | Lees hoofdstuk 14 |