| 19:2 | Gemeld wordt aan Joab: zie, de koning weent en rouwt om Absalom!
|
| 19:3 | Zo wordt de redding op die dag tot rouw voor heel de manschap,- omdat de manschap heeft horen zeggen op die dag: de koning is bedroefd om zijn zoon!
|
| 19:4 | Slechts steels komt de manschap op die dag de stad binnen,- zo steels als een beschaamde manschap doet wanneer ze in de oorlog zijn gevlucht.
|
| 19:5 | Met zijn aanschijn omhuld schreeuwt de koning met grote stem: mijn zoon Absalom!, Absalom mijn zoon, mijn zoon! ••
|
| 19:6 | Dan komt Joab bij de koning het huis in,- en zegt: je hebt vandaag te schande gemaakt het aanschijn van al je dienaren, die vandaag jouw ziel hebben laten ontsnappen, de ziel van je zonen en je dochters, de ziel van je vrouwen en de ziel van je bijvrouwen!-
|
| 19:7 | door lief te hebben wie jou haten en door te haten wie je liefhebben!- want vandaag heb je gemeld dat oversten en dienaren voor jou niets zijn, ja, vandaag ben ik te weten gekomen dat als Absalom leefde en wij allemaal vandaag gestorven waren, dat het dán recht geweest was in je ogen!-
|
| 19:8 | nu dan, sta op, ga naar buiten en spreek tot het hart van wie jou dienen!- want ik heb bij de Ene gezworen dat als jij niet naar buiten gaat er geen man met jou overnacht vannacht, en dat is voor jou een groter kwaad dan al het kwaad dat over je gekomen is van je jeugd af tot nu toe! ••
|
| 19:9 | Dan staat de koning op en gaat hij weer zitten in de poort; aan heel de manschap hebben ze gemeld en gezegd: zie, de koning zit weer in de poort!, en heel de manschap komt voor het aanschijn van de koning; maar Israël is gevlucht, ieder naar zijn tent. ••
|
| 19:10 | Dan raakt heel de manschap aan het redetwisten, in alle stammen van Israël zeggen ze: de koning heeft ons gered uit de greep van onze vijanden, hij heeft ons laten ontsnappen uit de greep van de Filistijnen, en nu heeft hij het land moeten ontvluchten vanwege Absalom!-
|
| 19:11 | Absalom, die wij tot koning over ons hebben gezalfd heeft de dood gevonden in de oorlog; nu dan, waarom doet men niets om de koning te laten terugkeren? ••
|
| 19:12 | Koning David heeft bericht gezonden naar Tsadok en Abjatar, de priesters, om te zeggen: spreekt tot de oudsten van Juda en zegt: waarom zult ge de laatsten worden om de koning te laten terugkeren naar zijn huis? -Het spreken van heel Israël is al gekomen tot de koning, tot zijn huis-
|
| 19:13 | mijn broeders zijt gij, mijn gebeente en mijn vlees zijt gij; waarom zult ge de laatsten zijn om de koning te laten terugkeren?-
|
| 19:14 | en tot Amasa moet ge zeggen: ben jij niet mijn gebeente en mijn vlees?- zó moge God aan mij doen en zó eraan toevoegen als jij niet al de dagen voor mijn aanschijn overste van de strijdschaar wordt, in plaats van Joab!
|
| 19:15 | Daarmee neigt hij het hart van alleman van Juda als één man,- en ze zenden tot de koning de boodschap: keer terug, jij en al je dienaren!
|
| 19:16 | Dan keert de koning om en komt hij aan bij de Jordaan; Juda is intussen naar de Gilgal gekomen om de koning tegemoet te gaan, om de koning de Jordaan te helpen oversteken.
|
| 19:17 | Ook haast zich Sjimi, de zoon van Gera, een Benjaminiet die uit Bachoeriem kwam; met het manvolk van Juda daalt hij af koning David tegemoet,
|
| 19:18 | met duizend man bij zich, uit Benjamin, en met Tsiva, een hulpjongen uit het huis van Saul, en zijn vijftien zonen en twintig dienaren bij zich; vóór de verschijning van de koning uit hebben zij de Jordaan al bereikt.
|
| 19:19 | Zij steken de oversteekplaats over om het huis van de koning te helpen oversteken en om te doen wat goed is in zijn ogen. Als Sjimi, zoon van Gera, is neergevallen voor het aanschijn van de koning, nadat hij de Jordaan is overgestoken,
|
| 19:20 | zegt hij tot de koning: geen misdaad rekene mijn heer mij toe; wil toch niet gedenken
|
| 19:21 | wat je dienaar heeft misdaan ten dage dat mijn heer de koning wegtrok uit Jeruzalem,- en de koning ter harte nam!- want je dienaar beseft het: ja, ik heb gezondigd; maar zie, ik ben heden gekomen als eerste van heel het huis van Jozef om af te dalen, mijn heer de koning tegemoet! ••
|
| 19:22 | Dan antwoordt Avisjai, zoon van Tseroeja, en zegt: moet Sjimi hiervoor niet worden gedood?- want verwenst heeft hij de gezalfde van de Ene! ••
|
| 19:23 | Maar David zegt: wat is er tussen mij en u, zonen van Tseroeja dat ge mij heden tot tegenstrever wordt?- moet er heden iemand in Israël worden gedood?- alsof ik niet wéét dat ik heden koning ben over Israël!
|
| 19:24 | Dan zegt de koning tot Sjimi: je wordt niet gedood! En de koning zweert het hem. ••
|
| 19:25 | Ook Mefibosjet, kleinzoon van Saul, is afgedaald de koning tegemoet; hij heeft niets aan zijn voeten gedaan en niets aan zijn snor gedaan, en heeft zijn gewaden niet gewassen vanaf de dag dat de koning heenging tot aan de dag dat hij in vrede terug zou komen.
|
| 19:26 | En het geschiedt als hij in Jeruzalem is aangekomen om de koning te ontmoeten,- dat de koning tot hem zegt: waarom ben je niet met mij heengegaan, Mefibosjet?
|
| 19:27 | Hij zegt: mijn heer de koning, mijn dienstknecht heeft mij verraden; want je dienaar heeft gezegd ‘ik laat mij de ezel zadelen en zal daarop rijdend met de koning meegaan’, want je dienaar is kreupel,
|
| 19:28 | maar hij heeft je dienaar belasterd bij mijn heer de koning; mijn heer de koning is als de engel van God: doe wat goed is in je ogen!-
|
| 19:29 | want heel het huis van mijn vader was niets voor mijn heer de koning dan mannen des doods, maar jij hebt je dienaar neergezet bij wie eten van jouw tafel; wat voor rechtvaardiging is er nog voor mij en wat zal ik nog schreeuwen tot de koning? •
|
| 19:30 | De koning zegt tot hem: waarom spreek je je woorden nog uit?- zeggen zal ik: jij en Tsiva delen het veld!
|
| 19:31 | Mefibosjet zegt tot de koning: zelfs het geheel mag hij nemen,- nu mijn heer de koning in vrede is gekomen in zijn huis! ••
|
| 19:32 | Barzilai de Gileadiet is afgedaald uit Rogeliem,- om de koning te helpen de Jordaan over te steken en hem bij de Jordaan uitgeleide te doen.
|
| 19:33 | Barzilai is zeer oud, een man van tachtig jaar; hij heeft de koning verzorgd toen die zat in Machanajim, want hij is een zeer grootmoedig man.
|
| 19:34 | De koning zegt tot Barzilai: steek jij over met mij, dan zal ik jou verzorgen bij mij in Jeruzalem!
|
| 19:35 | Maar Barzilai zegt tot de koning: wát zijn de dagen van mijn levensjaren nog dat ik met de koning zal opklimmen naar Jeruzalem?-
|
| 19:36 | een man van tachtig jaar ben ik heden,- weet ik nog verschil tussen goed en kwaad?- en of ik, je dienaar, nog proef wat ik eet en wat ik drink, en of ik nog hoor naar de stem van zangers en zangeressen… waarom zal je dienaar nog tot last wezen bij mijn heer de koning?-
|
| 19:37 | slechts een stukje zal je dienaar met de koning de Jordaan oversteken; waarom zou de koning mij weldoen met zo’n weldaad?-
|
| 19:38 | moge je dienaar toch terugkeren, dat ik kan sterven in mijn eigen stad, bij het graf van mijn vader en mijn moeder; ziehier je dienaar Kimham: moge hij samen met mijn heer de koning oversteken; doe aan hem wat goed is in je ogen! ••
|
| 19:39 | Dan zegt de koning: met mij zal Kimham oversteken, en ik zal aan hem doen wat goed is in jouw ogen; al wat je zult verkiezen bij mij zal ik aan jou doen!
|
| 19:40 | Heel de gemeenschap steekt de Jordaan over, maar de koning is blijven staan; de koning geeft een kus aan Barzilai, die hem zegent en terugkeert naar zijn oord. ••
|
| 19:41 | Dan steekt de koning over naar de Gilgal, en Kimhan is samen met hem overgestoken; allen van de gemeenschap van Juda hebben de koning helpen oversteken, alsook de helft van de gemeenschap van Israël.
|
| 19:42 | En ziedaar allen van Israëls manvolk komen tot de koning; zij zeggen tot de koning: waarom hebben onze broeders, het manvolk van Juda, jou gestolen en hebben zij de koning en zijn huis de Jordaan doen oversteken en alle mannen van David samen met hem? ••
|
| 19:43 | Dan antwoordt heel het manvolk van Juda op het manvolk van Israël: omdat de koning mij ná staat!- en waarom ben je zo aangebrand over dit woord?- hebben wij etend iets van de koning opgegeten of dragend iets voor onszelf weggedragen? ••
|
| 19:44 | Het manvolk van Israël antwoordt het manvolk van Juda en zegt: met tien handen houd ik de koning vast, dus is David meer van mij dan van jou!- waarom wel heb je mij gekleineerd?, is het niet allereerst mijn woord geweest om mijn koning te laten terugkeren? Maar het woord van Juda’s manvolk is harder dan het woord van Israëls manvolk. ••
|
| 19:1 | De koning is geschokt* In veel vertalingen begint hoofdstuk 19 in vers 2.; hij klimt op naar de opkamer van de poort en weent; en zo heeft hij gezegd terwijl hij heen en weer liep: mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom!, wie gunt het mij dat ik sterf in jouw plaats?, Absalom mijn zoon, mijn zoon!
|
| Lees hoofdstuk 18 | Lees hoofdstuk 20 |