| 4:1 | Want* In veel vertalingen begint hier hoofdstuk 3. zie, in deze dagen en in die tijd,- als ik een kéér zal brengen in de kerkering van Juda en Jeruzalem,
|
| 4:2 | zal ik alle volkeren vergaren en laten afdalen naar het dal van Jehosjafat,- / de ENE houdt gericht; ik zal daar met hen in het gericht gaan, om mijn gemeente en mijn erfdeel Israël, dat ze die hebben verstrooid / onder de volken, en mijn land hebben verdeeld;
|
| 4:3 | over mijn gemeente / hebben zij het lot geworpen,- het pasgeboren jongetje / gaven ze weg voor een hoer, het net geboren meisje verkochten ze voor wijn / en dronken die op!
|
| 4:4 | Bovendien: wat wilt gij met mij, / Tsor en Tsidon, en alle landstreken van Pelesjet?- een vergelding wilt ge mij betaald zetten?- als gij mij iets vergeldt zal ik vlug en met haast uw vergelding laten terugkeren / op uw hoofd!-
|
| 4:5 | omdat ge mijn zilver en mijn goud / hebt meegenomen,- en met mijn beste kostbaarheden zijt aangekomen in uw tempels;
|
| 4:6 | de zonen van Juda / en de zonen van Jeruzalem hebt ge verkocht / aan de zonen van de Jevanieten,- om hen ver weg te brengen / van hun gebied;
|
| 4:7 | zie, ik zal hen opwekken, uit het oord waarheen ge hen hebt verkocht,- en doen terugkeren zal ik uw vergelding / op uw hoofd;
|
| 4:8 | verkopen zal ik uw zonen en uw dochters in handen van de zonen van Juda, en die zullen hen verkopen / aan de Sjevaïeten, aan een volk ver weg!- ja, de Ene heeft gesproken! ••
|
| 4:9 | Roept dit uit onder de volkeren: heiligt u ten oorlog,- wekt de helden op, dat aantreden, dat opklimmen alle mannen van oorlog!-
|
| 4:10 | smeedt uw ploegscharen om / tot zwaarden en uw sikkels tot lansen; laat de zwakkeling zeggen ‘ik ben een held’!-
|
| 4:11 | snelt te hulp en komt, alle volkeren van rondom, / vergaart u dáár!-
Ene, laat úw helden neerdalen;
|
| 4:12 | laten de volkeren ontwaken en opklimmen naar het dal van Jehosjafat,- / de ENE houdt gericht, want dáár zal ik zetelen om te berechten / alle volkeren van rondom!
|
| 4:13 | Steekt* Letterlijk: zendt. de zeis uit, want de oogst is gerijpt; komt en treedt, / want de pers zit vol; de kuipen stromen over, want overvloedig is hun kwaad!
|
| 4:14 | Menigten, menigten in het dal van de dorswagen; want dichtbij is de dag van de Ene in het dal van de dorswagen!
|
| 4:15 | Zon en maan zijn zwart geworden,- de sterren / hebben hun schijnsel binnengehaald.
|
| 4:16 | De Ene zal vanuit Sion brullen en vanuit Jeruzalem / zijn stem te horen geven, wankelen zullen hemel en aarde; maar de Ene is voor zijn gemeente een toevlucht, een burcht voor de zonen Israëls.
|
| 4:17 | Weten zult ge dat ik, de Ene, uw God ben, wonend op / Sion, de berg van mijn heiligdom; Jeruzalem zal een heiligdom wezen, vreemdelingen zullen daar niet meer / doorheen trekken. ••
|
| 4:18 | Geschieden zal het te dien dage dat de bergen zullen druipen / van zoete nieuwe wijn, de heuvels overlopen van melk en al Juda’s beken / zullen overlopen van water; een bronwel zal aan het huis van de Ene ontspringen en het Acaciadal drenken.
|
| 4:19 | Egypte wordt dan tot een woestenij, en het –rode– Edom / wordt tot een woeste woestijn,- vanwege het geweld / aan de kinderen van Juda toen ze onschuldig bloed vergoten / in hun land.
|
| 4:20 | Maar Juda zal zetelen voor eeuwig,- en Jeruzalem generatie na generatie.
|
| 4:21 | Hun bloed zal ik wreken, ik laat het niet ongewroken,- de Ene, die op Sion woont! |
| Lees hoofdstuk 3 | Lees hoofdstuk 5 |