Terug naar zoeken
4:1


Maar dat is kwalijk voor Jona,

een groot kwaad,-
en het ontbrandt bij hem.

4:2


Hij bidt tot de Ene en zegt:

ach Ene, was dit niet mijn woord
toen ik nog op mijn –rode– grond was?-
daarom wilde ik het vóór zijn
   door naar Tarsjiesj te vluchten;

want ik wist al
dat gij zijt een God genadig en ontfermend,
lankmoedig en groot in vriendschap,
die berouw krijgt over zijn kwaad!-

4:3


neem nu toch, Ene,

mijn ziel uit mij weg,-
want het is voor mij een groter goed dat ik sterf
   dan dat ik leef!

••

4:4


Dan zegt de Ene:

is het goed dat jij zo losbrandt?

4:5


Jona trekt de stad uit

en zet zich neer ten oosten van de stad,
hij maakt zich daar een loofdak
en gaat daaronder in de schaduw zitten,
zodat hij kan zien
wat er met de stad geschiedt.

4:6


En de Ene, God, stuurt een pijlsnelpalm,

die tot boven Jona opschiet
om voor hem een schaduw te worden
   boven zijn hoofd,-

en hem te ontrukken aan zijn kwade zin;
en Jona verheugt zich over de pijlsnelpalm
   met grote vreugde.

4:7


Maar bij het opgaan van de dageraad
   de volgende morgen

stuurt God een worm,-
die de pijlsnelpalm zo aantast
   dat hij verdort.

4:8


En het geschiedt zodra de zon gloort

dat God een gloeiende oostenwind stuurt
en de zon het hoofd van Jona
   zó aantast
   dat hij bezwijmt;

hij wenst dat zijn ziel mag sterven
en zegt:
het is groter goed dat ik sterf
   dan dat ik leef!

4:9


Maar dan zegt God tot Jona:

is het goed dat jij zo losbrandt
   over die pijlsnelpalm?,

en hij zegt:
het is goed dat ik ten dode toe
   ontbrand ben!

4:10


Dan zegt de Ene:

jij, je hebt de pijlsnelpalm willen sparen
waarvoor je niet gezwoegd hebt
   en die je niet hebt grootgebracht,-

die binnen een nacht is ontstaan
en binnen een nacht is vergaan;

4:11

en ik, zal ik dan
Ninevee, die grote stad, niet sparen?-
waarin een veelheid is
van twaalfmaal tienduizend mensen
die geen verschil kennen
   tussen hun rechterkant
   en hun linkerkant,-

en ook veel vee!

Lees hoofdstuk 3 | Lees hoofdstuk 5