Terug naar zoeken
11:1


Het geschiedt:

hij is in zomaar een oord
aan het bidden.
Zodra hij ophoudt
zegt zomaar een van zijn leerlingen
tot hem:
heer, leer ons te bidden,
zoals ook Johannes
zijn leerlingen geleerd heeft!

11:2


Maar hij zegt tot hen:

wanneer ge in gebed gaat,
zegt dan:
Vader, geheiligd worde uw naam,
kome uw koninkrijk!-

11:3


ons nodige brood,

geef ons dat dagelijks;

11:4


en vergeef ons onze zonden,

want ook zelf vergeven we
al wie in de schuld staat bij ons;
en breng ons niet in beproeving!

11:5


Hij zegt tot hen:

zomaar iemand van u
zal een vriend hebben
die midden in de nacht
doorreist tot bij hem en tot hem zegt:
vriend, leen mij drie broden,

11:6


daar een vriend van mij

op z’n weg bij mij aanlandt
en ik niets heb om hem voor te zetten!-

11:7


en hij antwoordt van binnen uit

en zegt: val me niet zo lastig,
de poortdeur is al gesloten
en m’n knechtjes zijn met mij naar bed,-
ik ben niet bij machte
op te staan en het aan jou te geven!-

11:8


ik zeg u:

ook als hij niet opstaat
om het aan hem te geven
omdat hij een vriend van hem is,
toch zal hij, door zijn brutale vraag
wakker geworden,
aan hem geven zoveel hij nodig heeft!-

11:9


ook ík zeg u: vraagt

en aan u zal gegeven worden,
zoekt en ge zult vinden;

11:10


klopt en voor u zal worden opengedaan!-

want al wie vraagt mag nemen
en wie zoekt vindt,
en voor wie klopt zal worden opengedaan!-

11:11


maar: van zomaar één uit u

zal de zoon de vader vragen
om een vis,- die zal hem toch niet
in plaats van een vis een adder geven?-

11:12


of als hij om een ei zal vragen,

zal hij hem een schorpioen geven?-

11:13


als dan gij, boosaardig als ge zijt,

goede gaven weet te geven aan uw kinderen,
hoeveel te meer zal de vader uit de hemel
heilige geestesadem geven
aan wie hem daarom vragen!

11:14


Hij is bezig geweest een demonie

uit te werpen;
en dat is er een van doofstomheid geweest;
maar het geschiedt:
als de demonie naar buiten komt
práát de stomme,-
tot verwondering van de scharen.

11:15


Maar zomaar-sommigen uit hen zeggen:

in eenheid met Beëlzeboel,
de overste van de demonieën,
werpt hij de demonieën uit!

11:16


Maar anderen hebben,

om hem op de proef te stellen,
bij hem om een teken uit de hemel
gezocht.

11:17


Maar hij wéét wat hun overwegingen zijn

en zegt tot hen:
elk koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is
wordt een woestenij
en een huis valt op een huis;

11:18


maar als ook de satan

tegen zichzelf verdeeld raakt,
hoe zal diens koninkrijk
dan staande worden gehouden?-
omdat ge zegt
dat ik in eenheid met Beëlzeboel
de demonieën uitwerp!-

11:19


maar als ík in eenheid met Beëlzeboel

de demonieën uitwerp,-
uw zonen, één met wie werpen zíj ze uit?-
daarom zullen zíj uw oordelaars zijn!-

11:20


maar als ik één met de vinger Gods

de demonieën uitwerp,
dan is bij u
het koningschap van God verschenen;

11:21


wanneer wie sterk is

welbewapend zijn eigen hof bewaakt,
is wat hem behoort in vrede;

11:22


maar wanneer er iemand sterker dan hij

aankomt en hem overwint,
neemt die hem de wapenrusting af
waarop hij vertrouwde,
en wat hij op hem heeft buitgemaakt
geeft hij weg;

11:23


wie niet mét mij is, is tegen mij,

en wie niet met mij samenbrengt verstrooit;

11:24


wanneer de onreine geest

uitgaat van de mens,
gaat hij door oorden zonder water
en zoekt rust;
en als hij die niet vindt, zegt hij:
ik zal terugkeren naar mijn huis
waar ik ben uitgegaan!-

11:25


bij aankomst vindt hij het

geveegd en versierd;

11:26


dan trekt hij eropuit en neemt er

andere geesten bij,
boosaardiger dan hijzelf, een zevental;
die komen er binnen en houden er huis;
dan worden de laatste dingen
van die mens erger dan de eerste!

11:27


Maar het geschiedt als hij deze dingen zegt

dat zomaar een vrouw uit de schare
haar stem verheft en tot hem zegt:
zalig de schoot die jou heeft getorst
en de borsten waaraan jij hebt gezogen!

11:28


Maar hij zegt: jazeker,

zalig die het woord van God horen
en erover waken!

11:29


Maar als de scharen te hoop lopen

is het begin dat hij zegt:
deze generatie is een boosaardige generatie!-
een teken zoekt zij,
en zij zal geen ander teken
gegeven krijgen
dan het teken van Jona;

11:30


want zoals in Jona een teken is geschied

voor de Ninevieten,
zó zal ook de mensenzoon dat zijn
voor deze generatie;

11:31


een koningin uit het zuiden

zal in het oordeel worden opgewekt
met de mannen van deze generatie
en hen veroordelen,-
omdat zij is gekomen
van de randen der aarde
om de wijsheid van Salomo te horen,
en zie, meer dan Salomo is hier;

11:32


Ninevitische mannen zullen

in het oordeel opstaan met deze generatie
en haar veroordelen,-
omdat zij zich hebben bekeerd
op de prediking van Jona,
en zie, meer dan Jona is hier!-

11:33


niemand pakt een olielamp op

om die in een keldergat te zetten
en ook niet onder de korenmaat,
nee, op de lampvoet,
opdat zij die binnentreden
het schijnsel kunnen bekijken;

11:34


de lamp van het lichaam is je oog;

wanneer je oog eenvoudig is,
is ook heel je lichaam vol van licht,
maar wanneer het boos is,
is ook je lichaam duister;

11:35


zie dus toe dat het licht dat in je is

geen duisternis is;

11:36


als dus heel je lichaam vol van licht is

en in geen enkel deel duister,
zal het in z’n geheel vol van licht zijn,
zoals wanneer de lamp met zijn lichtstraal
je verlicht!

11:37


Maar terwijl hij (zo) spreekt

vraagt een Farizeeër hem
of hij bij hem de maaltijd wil houden.
Maar hij komt binnen
en valt op een hoge plaats neer.

11:38


Maar de Farizeeër ziet dat en is verwonderd

dat hij niet eerst, vóór de maaltijd,
zich wast.* Letterlijk: zich doopt, of: zich laat dompelen.

11:39


Maar de Heer zegt tot hem:

en nu júllie, Farizeeërs!-
de buitenkant van drinkbeker en schotel
reinigt ge, maar uw binnenkant
loopt over van graaierij en boosaardigheid;

11:40


stukken onverstand,

hij die de buitenkant maakte,
heeft hij niet ook de binnenkant gemaakt?-

11:41


evenwel, geeft wat erin zit weg

als ontferming,
en zie, alles is rein voor u!-

11:42


echter, wee u, de Farizeeërs!,

omdat ge tienden afstaat
van de kruizemunt, de wijnruit en álle kruid,
en voorbijgaat aan het oordeel
en de liefde van God!-
men moest het ene doen
en het andere niet nalaten!-

11:43


wee u, de Farizeeërs,

omdat ge de vooraanzitting
in de samenkomsten liefhebt,
en ook de begroetingen op de markten;

11:44


wee u, omdat ge zijt

als de graven die onzichtbaar zijn:
de mensen die daarboven wandelen
weten het niet!

11:45


Maar ten antwoord zegt

zomaar één van de wetgeleerden tot hem:
leermeester, als je dat zegt
beledig je ook óns!

11:46


Maar hij zegt:

ook voor u, de wetgeleerden: wee!,
omdat ge de mensen belast
met ondragelijke lasten
en zelf die lasten
met geen van uw vingers aanraakt!-

11:47


wee u, omdat ge de grafmonumenten

van de profeten bouwt
terwijl uw vaderen hen hebben gedood!-

11:48


dus zijt gij getuigen

en hebt ge mede welbehagen
in de werken van uw vaderen,
omdat zíj hen wel hebben gedood
maar gíj daarop bouwt!-

11:49


daarom zegt ook de wijsheid van God:

zenden zal ik tot hen profeten en afgezanten,
en uit hen zullen ze er doden en vervolgen,-

11:50


zodat bij déze generatie

zal worden teruggezocht
het bloed van alle profeten
dat vanaf de grondlegging der wereld
is vergoten,

11:51


van het bloed van Abel

tot aan het bloed van Zacharias
die is omgebracht
tussen de offerplaats en het Huis;
ja, ik zeg u: het zal worden teruggezocht
bij deze generatie!-

11:52


wee u, de wetgeleerden,

omdat ge de sleutel der (Gods)kennis
weghaalt;
zelf komt ge niet binnen,
en wie binnen willen komen
verhindert ge het!

11:53


Als hij daarvandaan naar buiten komt,

beginnen de schriftgeleerden en de Farizeeërs
hem verschrikkelijk te beschuldigen
en hem over vele dingen
de mond open te breken,

11:54


in hinderlagen, om hem te verstrikken

in iets uit zijn mond.

Lees hoofdstuk 10 | Lees hoofdstuk 12