Terug naar zoeken
3:1


Op staat

Eljasjiev, de hogepriester,
   met zijn broeders de priesters,

en zij herbouwen de Schaapspoort;
zij zijn het die hem hebben geheiligd,
zij plaatsen zijn deuren;
ook de Honderdtoren hebben zij geheiligd
en ook de Chananeltoren.
••

3:2


Daarnaast hebben de mannen van Jericho
   de herbouw ter hand genomen;

••
daarnaast heeft Zakoer, zoon van Imri,
de herbouw ter hand genomen.
••

3:3


De Vispoort

hebben de zonen van Senaä herbouwd;
zij hebben hem overkapt
en zijn deuren geplaatst,
zijn grendels en zijn sluitbalken.
••

3:4


Naast hen nam

Meremot, zoon van Oeria zoon van Hakots,
   de versterking ter hand;

••
naast hem nam
Mesjoelam, zoon van Berechja
   zoon van Mesjezavel,
   de versterking ter hand;

••
naast hen nam
Tsadok, zoon van Baäna,
   de versterking ter hand.

••

3:5


Naast hen hebben de Tekoïeten
   de versterking ter hand genomen;

maar hun machtigen
   hebben niet hun schouders gezet

onder het dienstwerk van hun heer.
••

3:6


De Oude Poort hebben

Jojada, zoon van Paseach,
en Mesjoelam, zoon van Besodja, versterkt;
zíj hebben die overkapt,
en zijn deuren geplaatst,
zijn grendels en zijn sluitbalken.
••

3:7


Naast hen hebben Melatja de Gibeoniet

en Jadon de Meronotiet,
mannen van Gibeon en de Mitspa,-
troonbezit
van de stadhouder van over-de-Rivier,
   de versterking ter hand genomen.

••

3:8


Daarnaast heeft

Oeziël, zoon van Charhaja,
   van de edelsmeden,
   de versterking ter hand genomen,

••
en naast hem heeft
Chananja, zoon van de zalfbereiders,
   de versterking ter hand genomen;

zij hebben Jeruzalem gepleisterd
tot aan de Brede Muur.
••

3:9


Naast hen heeft Refaja, zoon van Choer,

overste
over een helft van het district Jeruzalem,
   de versterking ter hand genomen.

••

3:10


Naast hen heeft Jedaja, zoon van Charoemaf,

tegenover zijn huis
   de versterking ter hand genomen;

••
en onder zijn hand heeft
Chatoesj, zoon van Chasjavneja,
   versterkingswerk gedaan.

3:11


Een tweede stuk

heeft Malkia, zoon van Chariem,
   versterkt,

met Chasjoev, zoon van de stadhouder
   van Moab;

ook de Bakoventoren.
••

3:12


Daarnaast heeft

Sjaloem, zoon van Haloecheesj,
overste
over een helft van het district Jeruzalem,
   de versterking ter hand genomen,

hijzelf met zijn dochters.
••

3:13


De Dalpoort is versterkt door Chanoen
   en de ingezetenen van Zanoach;

zíj hebben hem herbouwd
en zijn deuren geplaatst,
zijn grendels en zijn sluitbalken;
en duizend el van de muur
tot aan de Mestpoort.

3:14


De Mestpoort

is versterkt door Malkia, zoon van Rechav,
overste van het district Bet Hakerem;
hij heeft hem herbouwd
en zijn deuren geplaatst,
zijn grendels en zijn sluitbalken.
••

3:15


De Welpoort
   is versterkt door Sjaloen,
   zoon van Kol Chozee,

overste over het district Mitspa;
hij heeft hem herbouwd, van dak voorzien
en zijn deuren geplaatst,
zijn grendels en zijn sluitbalken,-
ook de muur
van de Sjelachvijver bij de koningstuin
tot aan de trappen
die neerdalen uit de Davidsstad.
••

3:16


Na hem heeft Nechemja, zoon van Azboek,

overste
van een helft van het district Bet Tsoer,
   versterkingswerk gedaan,-

tot tegenover de Davidsgraven
en tot aan de gemaakte vijver
en het Huis der Helden!
••

3:17


Na hem hebben de Levieten
   versterkingswerk gedaan:
   Rechoem, zoon van Bani;

naast hem heeft
Chasjavja, overste van een helft van
   het district Keïla, voor zijn district
   versterkingswerk ter hand genomen.

••

3:18


Daarna hebben hun broeders
   versterkingswerk gedaan:

Bavai, zoon van Chenadad,-
overste van een helft van
   het district Keïla.

••

3:19


Dan versterkt naast hem

Ezer, zoon van Jesjoea,
   overste van de Mitspa,
   een volgende stuk,-

tegenover de opgang van het wapenhuis
   op de hoek.

••

3:20


Daarna heeft Baroech, zoon van Zabai,
   vol ijver een volgend stuk versterkt,-

vanaf de hoek
tot aan de ingang van het huis van Eljasjiev,
de hogepriester.
••

3:21


Daarna heeft

Meremot, zoon van Oeria zoon van Hakots
   een volgend stuk versterkt,-

van de ingang van het huis van Eljasjiev
tot aan het einde van Eljasjievs huis.
••

3:22


Daarna hebben de priesters,
   mannen uit de Jordaanstreek,
   versterkingswerk gedaan.

3:23


Daarna hebben Benjamin en Chasjoev
   tegenover hun huis
   versterkingswerk gedaan;

••
daarna heeft
Azarja, zoon van Maäseja zoon van Ananja,
   terzijde van zijn huis
   versterkingswerk gedaan.

••

3:24


Daarna heeft
   Binoei, zoon van Chenadad
   een volgend stuk versterkt,-

van het huis van Azarja,
   tot aan de hoek en de hoeksteen,

3:25


en ook Palal, zoon van Oezai,
   tegenover de hoek

en de toren, de hoogste
die uitspringt uit het huis van de koning,
bij de voorhof van de gevangenis;
daarna Pedaja, zoon van Parosj;
••

3:26


de weggegevenen

hebben hun zetel gehad op de Ofel,-
tot tegenover de Waterpoort
   aan de dageraadskant

en de toren die uitspringt.
••

3:27


Daarna hebben de Tekoïeten
   een volgend stuk versterkt,-

van tegenover de toren,
   de grote die uitspringt,

tot aan de muur van de Ofel.

3:28


Vanaf de Paardenpoort

hebben de priesters
   versterkingswerk gedaan,

ieder tegenover zijn huis.
••

3:29


Daarna heeft Tsadok, zoon van Imeer,
   tegenover zijn huis
   versterkingswerk gedaan;

••
daarna heeft Sjemaja, zoon van Sjechanja,
   versterkingswerk gedaan,

de bewaker van de Oosterpoort.
••

3:30


Daarna heeft Chananja, zoon van Sjelemja,

versterkingswerk gedaan,-
met Chanoen, de zesde zoon van Tsalaf,
een volgend stuk;
••
daarna heeft
Mesjoelam, zoon van Berechja,
   versterkingswerk gedaan

tegenover zijn kamer.
••

3:31


Daarna heeft

Malkia, zoon van de goudsmid,
   versterkingswerk gedaan

tot aan het huis van de weggegevenen
   en de marktlui,-

tegenover de Wachtpoort
en tot aan de bovenzaal bij de Hoeksteen.

3:32


Tussen de bovenzaal bij de Hoeksteen
   en de Schaapspoort

hebben de goudsmeden en de marktlui
   versterkingswerk gedaan.

3:33


En het geschiedt* In veel vertalingen begint hier hoofdstuk 4.

zodra Sanvalat heeft gehoord
dat wij bezig zijn de muur te herbouwen,
dat het bij hem losbrandt
en hij heel boos wordt;
dan bespot hij de Judeeërs.

3:34


Hij zegt voor het front van zijn broeders

en de legermacht van Samaria,-
hij zegt:
wat zijn die verlepte Judeeërs aan het doen?-
willen ze alles dichtpleisteren, er offeren,
   en dat op een dag voltooien?-

willen ze de stenen uit de stofhopen
   levend maken,
   zo verbrand als die zijn?

3:35


Tovia de Amoniet is aan zijn zijde;

hij zegt:
wat ze ook bouwen,
als er een jakhals opklimt
slaat hij al een bres in hun stenen muur!

3:36


‘Hoor, onze God, hoe geminacht
   wij zijn geworden

en laat hun hoon terugkeren
   op hun eigen hoofd;

geef hen prijs aan plundering
   in een land van kerkering;

3:37


dek hun ongerechtigheid niet toe

en wis hun zonde niet weg
   van voor uw aanschijn;

want zij hebben tergend tegenover
   de bouwers gestaan!’

3:38


Maar wij bouwen verder aan de muur

en heel de muur staat al weer in verband
   tot op de helft van haar hoogte;

de gemeente is er met hart en ziel
   mee doende.

Lees hoofdstuk 2 | Lees hoofdstuk 4