Terug naar zoeken
4:1


En het geschiedt,

zodra Sanvalat,
met Tovia, de Arabieren,
   de Amonieten

en de Asjdodieten, heeft gehoord
dat het herstel van Jeruzalems muren
   is gevorderd

omdat ze begonnen zijn
   de bressen dicht te stoppen,-

brandt het bij hen bovenmate los.

4:2


En zij zweren allen eensgezind samen

om te komen tot een oorlog tegen Jeruzalem,-
en daarin verwarring te stichten.

4:3


Wij bidden tot onze God,-

en stellen tegen hen dag en nacht
   een bewaking op, vanwege hen.

4:4


Dan zegt Juda:

de kracht van de lastdrager wankelt,
puin en stof is er te veel;
wíj kunnen het niet aan
om de muur te herbouwen!

4:5


Onze benauwers zeggen:

ze mogen niets weten en niets zien
totdat wij hun plek binnenkomen
en hen zullen ombrengen;
zo zullen we het werk stilzetten!

4:6


Maar het geschiedt
   zodra de Judeeërs aankomen

die naast hen zijn gezeten,-
dat zij wel tien keren tot ons zeggen:
uit alle plekken waar ze zitten
   trekken ze tegen ons op!

4:7


Dus stel ik mensen op

op de laagste plekken van het terrein
   achter de muur, in mansgaten;

ik stel de gemeenschap op naar families,
met hun zwaarden, lansen en bogen.

4:8


Ik overzie het en sta op;

ik zeg tot de edelen, de bestuurders
   en de overigen van de gemeenschap:

vreest niet voor hun verschijning!-
mijn Heer,
die groot en vreeswekkend is, gedenkt hem,
en voert oorlog
voor uw broeders, uw zonen en dochters,
uw vrouwen en uw huishoudens!

4:9


En het geschiedt,

zodra onze vijanden hebben gehoord
   dat het ons al bekend is,

verijdelt God wat zij hebben beraamd,-
en kunnen wij allen
   terugkeren naar de muur,

ieder naar zijn werk.

4:10


En het geschiedt van die dag af

dat mijn jongens voor de helft
   doende zijn met het werk,

en voor hun andere helft
voor versterking zorgen met lansen, schilden,
bogen en pantsers,-
met de oversten
achter elk huis van Juda,

4:11


allen die bouwen aan de muur;

de lastdragers zijn goed toegerust:
één hand doet het werk
en één houdt de werpspies vast.

4:12


De bouwers

hebben ieder zijn zwaard
   aan zijn lendenen gebonden
   bij het bouwen;

die de bazuin kan blazen staat opzij van mij.

4:13


Ik zeg
   tot de edelen, de bestuurders
   en de overigen van de gemeenschap:

het werk is groot en uitgebreid,-
en wij zijn
verspreid over de muur
ieder ver van zijn broeders;

4:14


op de plaats

waar ge het geluid van de bazuin hoort,
daarheen, bij ons, moet ge u verzamelen;
onze God zal voor ons vechten!

4:15


Zo zijn wij doende met het werk,-

terwijl de helft van hen
de lansen vasthoudt,
vanaf het opklimmen van de dageraad
tot aan het tevoorschijn komen van de sterren.

4:16


Ook heb ik in die tijd tot de manschap

gezegd:
ieder met zijn hulpjongen
moeten ze overnachten in Jeruzalem;
wezen zullen ze voor ons een wachtpost
   in de nacht
   en een werkploeg overdag!

4:17


Ikzelf, mijn broeders, mijn hulpjongens

en de mannen van de wachtpost achter mij,
wij trokken onze gewaden niet uit;
ieder had zijn werpspies in zijn rechterhand.
••

Lees hoofdstuk 3 | Lees hoofdstuk 5