Terug naar zoeken
5:1


Maar dan ontstaat er

bij de manschap en hun vrouwen
   een groot geschreeuw,-
   tegen hun Judese broeders.

5:2


Er zijn er die zeggen:

met onze zonen en dochters
   zijn wij met velen;

we moeten graan halen
   om te eten en in leven te blijven!

5:3


Er zijn er die zeggen:

onze velden, wijngaarden en huizen
   verpanden we al,-

om in deze honger graan te halen!

5:4


En er zijn er die zeggen:

we hebben geld moeten lenen
   voor de belasting van de koning,-

op onze velden en wijngaarden!-

5:5


nu ís toch

ons vlees-en-bloed evenveel waard
   als vlees-en-bloed van onze broeders,

en onze zonen zijn evenveel als hun zonen,-
maar zie, wíj moeten
   onze zonen en onze dochters
   verhandelen als slaven,

en er zijn al dochters van ons verhandeld
   zonder dat onze hand iets vermag,

en onze velden en wijngaarden
   zijn al van anderen!

5:6


Het brandt bij mij bovenmate,-

zodra ik hun schreeuwen
en deze woorden heb gehoord.

5:7


Mijn hart gaat bij mij te rade,

en dan klaag ik de edelen en bestuurders aan
en zeg tot hen:
u stapelt schuld op schuld,
   ieder bij zijn broeders!

En ik beleg tegen hen
   een grote vergadering.

5:8


Ik zeg tot hen:

zelf hebben wij onze Judese broeders
   die waren verkocht aan de volkeren,

naar ons vermogen teruggekocht,
maar nu verkoopt gij uw broeders
   en worden zij aan ons verkocht!

Zij zwijgen,
ze hebben geen woord weten te vinden.
••

5:9


Ik zeg:

het is geen goede zaak, wat gij doet;
zoudt ge niet
in ontzag voor onze God moeten wandelen
na de smaad door de volkeren,
   onze vijanden?-

5:10


ook ik, mijn broeders en mijn jongens

hebben bij hen een schuld te vorderen
   in geld en graan,-

maar laten we deze schuld toch
   achter ons laten!-

5:11


laat toch vandaag nog

hun velden, hun wijngaarden, hun olijfbomen
   en hun huizen naar hen terugkeren,-

met de honderdsten op het geld,
   het graan, de most en de olie

die gij bij hen als schuld te vorderen hebt!

5:12


Dan zeggen ze: we geven het terug,

we zullen het van hen niet opeisen,
we zullen zó doen
als jij zegt!
Dan roep ik de priesters
en laat hen zweren
   om naar dit gesprokene te doen!

5:13


Ook heb ik mijn boezem uitgeschud

en gezegd:
evenzo zal God alle man
die dit woord niet gestand zal doen,
wegschudden uit zijn huis
   en uit wat hij met zijn arbeid heeft bereikt;

evenzo uitgeschud en leeg zal hij worden!
En allen van de vergadering zeggen:
   amen!

Zij loven de Ene
en de gemeente doet naar dit woord.

5:14


Ook heb ik, met mijn broeders,
   vanaf de dag dat men mij gebood

om in het land Juda stadhouder te worden,
van het twintigste jaar
tot het tweeëndertigste
   van koning Artachsjast,

twaalf jaar dus,-
geen stadhouderlijk brood gegeten.

5:15


De eerdere stadhouders,
   vóór mijn verschijning,
   hebben zwaar gedrukt op de gemeenschap;

zij namen van hen, buiten brood en wijn,
veertig sikkels zilver;
zelfs hun hulpjongens gedroegen zich
   als heersers over de gemeenschap;

ík heb zo niet gedaan,
vanwege ontzag voor God.

5:16


Ook heb ik me sterk gemaakt
   voor het werk aan deze muur,

en een veld hebben we niet gekocht;
al mijn hulpjongens
   zijn daar verzameld geweest
   bij het werk.

5:17


De Judeeërs en de bestuurders,
   honderd en vijftig man,

en die tot ons kwamen uit de volkeren
   die ons omringen,
   had ik aan mijn tafel.

5:18


Dit is wat er klaargemaakt werd
   voor één dag:

één os,
zes stuks uitgelezen wolvee
   en ook vogels
   werden voor mij klaargemaakt,

met telkens voor tien dagen
   allerlei wijn in overvloed;

met dat al
heb ik om het stadhoudersbrood
   niet verzocht,

want het dienstwerk drukte al zwaar genoeg
   op deze gemeenschap.

5:19


Gedenk voor mij, mijn God, ten goede,-

al wat ik voor deze gemeenschap
   heb gedaan!

Lees hoofdstuk 4 | Lees hoofdstuk 6