| 5:1 | Maar dan ontstaat er bij de manschap en hun vrouwen een groot geschreeuw,- tegen hun Judese broeders.
|
| 5:2 | Er zijn er die zeggen: met onze zonen en dochters zijn wij met velen; we moeten graan halen om te eten en in leven te blijven!
|
| 5:3 | Er zijn er die zeggen: onze velden, wijngaarden en huizen verpanden we al,- om in deze honger graan te halen!
|
| 5:4 | En er zijn er die zeggen: we hebben geld moeten lenen voor de belasting van de koning,- op onze velden en wijngaarden!-
|
| 5:5 | nu ís toch ons vlees-en-bloed evenveel waard als vlees-en-bloed van onze broeders, en onze zonen zijn evenveel als hun zonen,- maar zie, wíj moeten onze zonen en onze dochters verhandelen als slaven, en er zijn al dochters van ons verhandeld zonder dat onze hand iets vermag, en onze velden en wijngaarden zijn al van anderen!
|
| 5:6 | Het brandt bij mij bovenmate,- zodra ik hun schreeuwen en deze woorden heb gehoord.
|
| 5:7 | Mijn hart gaat bij mij te rade, en dan klaag ik de edelen en bestuurders aan en zeg tot hen: u stapelt schuld op schuld, ieder bij zijn broeders! En ik beleg tegen hen een grote vergadering.
|
| 5:8 | Ik zeg tot hen: zelf hebben wij onze Judese broeders die waren verkocht aan de volkeren, naar ons vermogen teruggekocht, maar nu verkoopt gij uw broeders en worden zij aan ons verkocht! Zij zwijgen, ze hebben geen woord weten te vinden. ••
|
| 5:9 | Ik zeg: het is geen goede zaak, wat gij doet; zoudt ge niet in ontzag voor onze God moeten wandelen na de smaad door de volkeren, onze vijanden?-
|
| 5:10 | ook ik, mijn broeders en mijn jongens hebben bij hen een schuld te vorderen in geld en graan,- maar laten we deze schuld toch achter ons laten!-
|
| 5:11 | laat toch vandaag nog hun velden, hun wijngaarden, hun olijfbomen en hun huizen naar hen terugkeren,- met de honderdsten op het geld, het graan, de most en de olie die gij bij hen als schuld te vorderen hebt!
|
| 5:12 | Dan zeggen ze: we geven het terug, we zullen het van hen niet opeisen, we zullen zó doen als jij zegt! Dan roep ik de priesters en laat hen zweren om naar dit gesprokene te doen!
|
| 5:13 | Ook heb ik mijn boezem uitgeschud en gezegd: evenzo zal God alle man die dit woord niet gestand zal doen, wegschudden uit zijn huis en uit wat hij met zijn arbeid heeft bereikt; evenzo uitgeschud en leeg zal hij worden! En allen van de vergadering zeggen: amen! Zij loven de Ene en de gemeente doet naar dit woord.
|
| 5:14 | Ook heb ik, met mijn broeders, vanaf de dag dat men mij gebood om in het land Juda stadhouder te worden, van het twintigste jaar tot het tweeëndertigste van koning Artachsjast, twaalf jaar dus,- geen stadhouderlijk brood gegeten.
|
| 5:15 | De eerdere stadhouders, vóór mijn verschijning, hebben zwaar gedrukt op de gemeenschap; zij namen van hen, buiten brood en wijn, veertig sikkels zilver; zelfs hun hulpjongens gedroegen zich als heersers over de gemeenschap; ík heb zo niet gedaan, vanwege ontzag voor God.
|
| 5:16 | Ook heb ik me sterk gemaakt voor het werk aan deze muur, en een veld hebben we niet gekocht; al mijn hulpjongens zijn daar verzameld geweest bij het werk.
|
| 5:17 | De Judeeërs en de bestuurders, honderd en vijftig man, en die tot ons kwamen uit de volkeren die ons omringen, had ik aan mijn tafel.
|
| 5:18 | Dit is wat er klaargemaakt werd voor één dag: één os, zes stuks uitgelezen wolvee en ook vogels werden voor mij klaargemaakt, met telkens voor tien dagen allerlei wijn in overvloed; met dat al heb ik om het stadhoudersbrood niet verzocht, want het dienstwerk drukte al zwaar genoeg op deze gemeenschap.
|
| 5:19 | Gedenk voor mij, mijn God, ten goede,- al wat ik voor deze gemeenschap heb gedaan! •
|
| Lees hoofdstuk 4 | Lees hoofdstuk 6 |