De literaire vertaling,
dicht bij de grondtekstNaardense Bijbel > Psalmen
Terug naar zoeken | 129:1 | Psalm 129 (128) • Sæpe expugnaverunt. (Zang van de opgangen.)
Hoezeer ze mij van mijn jeugd af hebben benauwd, ✡ zegge toch Israël,
|
| 129:2 | hoezeer ze mij van mijn jeugd af hebben benauwd, ✡ toch hebben ze mij niet overmocht!
|
| 129:3 | Ploegers hebben geploegd op mijn rug, ✡ getrokken hun lange voren;
|
| 129:4 | maar de Ene, rechtvaardig, ✡ sneed de snoeren van boosdoeners door!
|
| 129:5 | Mogen vol schaamte achteruitdeinzen ✡ alle haters van Sion.
|
| 129:6 | Dat ze worden als het groen op de daken, ✡ dat eer het kan bloeien is verdord,
|
| 129:7 | waarmee een maaier zijn hand niet zal vullen, ✡ noch een binder van garven zijn boezem;
|
| 129:8 | zodat wie voorbijgaan niet zullen zeggen: ‘de zegen van de Ene over u, ✡ zegenen zullen wij u met de naam van de Ene!’
|
| Lees hoofdstuk 128 | Lees hoofdstuk 130 |