| 39:1 | Psalm 39 (38) • Dixi, custodiam. (Voor de koorleider, voor Jedoetoen, een musiceerstuk, v. David.)
|
| 39:2 | Ik zei: ‘ik zal op mijn wegen ervoor waken dat ik niet zondig met mijn tong, een wacht zetten voor mijn mond met een muilband, ✡ zolang een boze is mijn tegenover!’
|
| 39:3 | Ik verstomde tot stilte, zweeg ook tegen goeden, ✡ en erger werd mijn pijn.
|
| 39:4 | Mijn hart gloeide binnen in mij, uit mijn verzuchting spatte vuur, ✡ aan mijn tong ontsprong een woord:
|
| 39:5 | Ene, doe mij weten mijn einde, de maat van mijn dagen, wat die is, ✡ ik wil weten waar het met mij ophoudt!
|
| 39:6 | Zie, u gaf mij een paar duimbreedten dagen, mijn duur tegenover u is als niets!- ✡ ach, niets dan nevel alle aardmens, nu zo fier! sela
|
| 39:7 | Ach, alleman gaat om als in een beeld!- ach, nevel zijn bezit, ✡ hij slaat op en weet niet wie het inhaalt.
|
| 39:8 | Welnu, Heer-over-mij, wat heb ik te hopen?- ✡ mijn verwachting, die geldt u!
|
| 39:9 | Aan al mijn misstappen ontruk mij, ✡ spot van een dwaas, maak dat mij niet!
|
| 39:10 | Ik ben verstomd, ik open mijn mond niet, ✡ want gij hebt het gedaan!-
|
| 39:11 | wend uw plaag over mij af, ✡ van het getreiter van uw hand ben ik ten einde!
|
| 39:12 | Straft gij iemand met kastijdingen om onrecht, als de mot lost ge zijn begeren op: ✡ ach, niets dan nevel alle aardmens! sela
|
| 39:13 | Hoor mijn gebed, Ene, leen aan mijn hulpgeroep het oor, blijf niet zwijgen bij mijn tranen, al ben ik een zwerver, bij u te gast, ✡ een bijwoner, al mijn vaderen gelijk!
|
| 39:14 | Houd op met acht te slaan op mij, dan vrolijk ik op ✡ voordat ik ga, en niet meer ben!
|
| Lees hoofdstuk 38 | Lees hoofdstuk 40 |