| 40:1 | Psalm 40 (39) • Expectans expectavi. (Voor de koorleider, v. David, een musiceerstuk.)
|
| 40:2 | Vol hoop hoopte ik op de Ene, ✡ hij boog zich naar mij toe, hij hoorde mijn geroep om hulp.
|
| 40:3 | Hij haalt mij omhoog uit een ruisende kuil, uit modder en uit slijk, hij doet staan mijn voeten op een steenrots, ✡ mijn schreden maakt hij vast.
|
| 40:4 | Hij geeft mij in de mond een nieuw gezang, een lofzang voor onze God; dat zien velen, vol ontzag; ✡ zij weten zich veilig bij de Ene.
|
| 40:5 | Zalig de kerel die gesteld heeft als zijn veiligheid: de Ene; ✡ tot woelgeesten zich niet heeft gewend, en wie zijn afgeweken in bedrog!
|
| 40:6 | Overvloedig hebt gij gemaakt Ene, mijn God, uw wonderen en uw plannen, ✡ bij ons is niets bij u te vergelijken!-
wil ik ze melden, wil ik verwoorden, ✡ te machtig zijn ze om te verhalen!
|
| 40:7 | Offerdier en broodgift hebt ge niet verlangd, maar u groef gangen naar mijn oren; ✡ opgangsgave en ontzondiging, dat hebt ge niet gewenst.
|
| 40:8 | Toen kon ik zeggen: ‘zie, ik ben gekomen; ✡ in de rol, het boek, staat over mij geschreven.’
|
| 40:9 | God, uw welbehagen doen is mijn verlangen: ✡ in mijn ingewanden heb ik uw Wet.
|
| 40:10 | Ik boodschapte gerechtigheid in een vergadering van velen; zie, mijn lippen weerhield ik niet, ✡ Ene, gij zijt het die dat weet!
|
| 40:11 | Uw gerechtigheid verborg ik niet in mijn hart; uw trouw en uw reddende werk zegde ik uit: ✡ niet heb ik verheeld uw vriendschap en uw trouw voor een vergadering van velen.
|
| 40:12 | Gij Ene, houd toch niet uw ontferming bij mij vandaan; ✡ mogen uw vriendschap en uw trouw voortdurend mij behoeden!
|
| 40:13 | Want kwaad en rampen kregen op mij vat tot ze niet meer waren te tellen, mijn ongerechtigheden haalden mij in, ik was niet bij machte ze te zien: ✡ menigvuldiger dan de haren op mijn hoofd, en mijn hart heeft mij verlaten.
|
| 40:14 | Het behage u, Ene, mij te ontrukken, ✡ o Ene, haast u mij ter hulpe!
|
| 40:15 | Dat worden beschaamd en ontgoocheld ineen de zoekers van mijn ziel: om haar te vernielen; dat terugdeinzen, gehuld in schande, ✡ die verlangen naar mijn kwaad!
|
| 40:16 | Dat verstarren vanwege hun schaamte ✡ die over mij zeggen: ‘ha-ha!’
|
| 40:17 | Dat vrolijk zijn en zich verheugen in u allen die u zoeken, dat zij voortdurend zeggen: ‘groot is de Ene’, ✡ de minnaars van uw reddende werk!
|
| 40:18 | Zelf ben ik gebogen en arm, maar mijn Heer beraamt voor mij een plan,- die mij helpt en doet ontkomen, zijt gij; ✡ mijn God, aarzel niet!
|
| Lees hoofdstuk 39 | Lees hoofdstuk 41 |