| 3:1 | Maar Noömi, haar schoonmoeder, zegt tot haar: mijn dochter, moet ik niet voor jou een rustplaats zoeken waar het je goed zal gaan?-
|
| 3:2 | welnu, is Boaz niet een bekende van ons bij wiens meisjes jij bent geweest?- zie, hij gaat vannacht op de dorsvloer gerst wannen!-
|
| 3:3 | was je, zalf je, doe je overkleed om en daal af naar de dorsvloer; maar maak je niet bekend aan de man totdat hij ten einde is met eten en drinken!-
|
| 3:4 | laat het zo zijn, als hij zich neerlegt, dat jij de plaats weet waar hij zich neerlegt; aangekomen zul je zijn voeteneind ontbloten en gaan liggen; dan zal híj je melden wat je moet doen!
|
| 3:5 | Zij zegt tot haar: al wat je tot mij zegt zal ik doen!
|
| 3:6 | Dus daalt ze af naar de dorsvloer, en doet naar al wat haar schoonmoeder heeft geboden.
|
| 3:7 | Boaz eet en drinkt en doet zijn hart tegoed en komt aan om zich neer te leggen aan de rand van de graanberg; zij komt stilletjes aan, ontbloot zijn voeteneind en gaat liggen.
|
| 3:8 | Het geschiedt halverwege de nacht dat de man begint te rillen en om zich heen grijpt; en ziedaar een vrouw die aan zijn voeteneind ligt!
|
| 3:9 | Hij zegt: wie ben jij? Zij zegt: ik ben Ruth, je dienstmaagd: spreid je vleugel uit over je dienstmaagd, want jij bent een losser!
|
| 3:10 | Hij zegt: gezegend jij door de Ene, mijn dochter!- je laatste vriendendaad is nog beter dan je eerste; doordat je niet achter de jongelingen aan gegaan bent, hetzij arm, hetzij rijk;
|
| 3:11 | welnu, mijn dochter, vrees niet: al wat je zegt zal ik voor je doen; want elk in de poort van mijn gemeenschap wéét dat jij een vrouw van vermogen bent!-
|
| 3:12 | welnu, het is waar dat ik een losser ben, maar er is ook nog een losser nader dan ik!-
|
| 3:13 | overnacht vannacht hier en geschieden zal het in de ochtend: als hij je ‘lost’ is het goed dat hij losser is, en als hij geen lust heeft je te lossen, lossen zal ik je dan, zowaar de Ene leeft!- blijf liggen tot de ochtend!
|
| 3:14 | Zij blijft aan zijn voeteneind liggen tot de ochtend maar staat op vóórdat een man zijn makker kan herkennen; hij zegt: het hoeft niet bekend te worden dat deze vrouw naar de dorsvloer is gekomen!
|
| 3:15 | Hij zegt: reik me de omslagdoek aan die je om hebt, en houd haar vast! En zij houdt haar vast. Hij meet zes maten gerst af en legt die op haar; dan komt hij de stad weer binnen.
|
| 3:16 | Zij komt bij haar schoonmoeder aan en die zegt: wat is er met jóu, mijn dochter? Zij meldt haar al wat de man aan haar heeft gedaan.
|
| 3:17 | Ze zegt: deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven, want, heeft hij tot mij gezegd: jij komt niet ledig bij je schoonmoeder aan!
|
| 3:18 | Zij zegt: blijf zitten, mijn dochter, totdat je weet hoe het besprokene uitvalt; want de man zal niet rusten voordat hij dit besprokene heeft voleindigd vandaag!
|
| Lees hoofdstuk 2 | Lees hoofdstuk 4 |