| 2:1 | Noömi heeft een bekende van haar man, een man die een kerel van vermogen is, uit de familie van Elimelech; zijn naam is Boaz,- in wie kracht is.
|
| 2:2 | Ruth de Moabitische zegt tot Noömi: laat ik toch het veld op gaan en aren lezen achter hem in wiens ogen ik genade vind! En zij zegt tot haar: ga, mijn dochter!
|
| 2:3 | Zij gaat, komt aan en leest aren op het veld achter de maaiers aan; bij toeval valt haar toe het deel van het veld dat van Boaz is, die uit de familie van Elimelech is.
|
| 2:4 | En zie, daar komt uit Betlehem Boaz aan en zegt tot de maaiers: de Ene zij met u! En zij zeggen tot hem: u zegene de Ene!
|
| 2:5 | Dan zegt Boaz tot zijn hulpjongen die aangesteld is over de maaiers: van wie is dat meisje?
|
| 2:6 | Dan antwoordt de jongen die aangesteld is over de maaiers en zegt: een Moabitisch meisje is zij, dat met Noömi is teruggekeerd van het veld van Moab;
|
| 2:7 | ze zei: laat mij toch oplezen en inzamelen bij de schoven achter de maaiers – ze kwam en staat daar van toen het ochtend werd tot nu toe; ze is er een die weinig thuis zit!
|
| 2:8 | Dan zegt Boaz tot Ruth: je hebt het gehoord, nietwaar mijn dochter?, ga niet heen om op te lezen op een ander veld, en ook moet je niet oversteken hiervandaan; klamp je maar vast aan mijn meisjes!-
|
| 2:9 | met je ogen op het veld dat ze afmaaien moet je achter hen aan gaan; en, ik heb de jongens geboden je niet aan te raken!- en krijg je dorst, ga dan naar de vaten en drink van wat de jongens zullen scheppen!
|
| 2:10 | Zij valt neer op haar aanschijn en buigt zich ter aarde; ze zegt tot hem: waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat u mij erkent terwijl ik een uitheemse ben!
|
| 2:11 | Boaz antwoordt en zegt tot haar: gemeld en nog eens gemeld is mij al wat jij je schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man; dat je hebt verlaten je vader en je moeder en het land van je geboorte en bent gegaan naar een gemeenschap die je gisteren en eergisteren niet kende!-
|
| 2:12 | moge de Ene jou je werk vergelden; moge je loon tot vrede zijn van bij de Ene, Israëls God onder wiens vleugels je bent komen schuilen!
|
| 2:13 | Dan zegt zij: ik vind genade in uw ogen, mijn heer, omdat u mij hebt getroost en omdat u hebt gesproken tot het hart van uw dienstmaagd; terwijl ik niet ben als ook maar één van uw dienstmaagden!
|
| 2:14 | Tegen etenstijd zegt Boaz tot haar: treed nader hierheen, eten moet je van het brood en je bete dopen in de gistmost! Ze mag zitten aan de zijde van de maaiers, en hij reikt haar geroosterd koren aan; ze eet, wordt verzadigd en houdt over.
|
| 2:15 | Ze staat op om weer op te lezen; dan gebiedt Boaz zijn jongens en zegt hij: ook tússen de schoven mag zij oplezen, en beschaamt haar niet!-
|
| 2:16 | ook moet ge wat voor haar uit de bundels roven en achterlaten, dat zij het kan oplezen, en berispt haar daarover niet!
|
| 2:17 | Zij leest aren op het veld tot aan de avond; als ze uitklopt wat ze heeft opgelezen is het ongeveer een efa gerst.
|
| 2:18 | Als ze dat meedraagt en in de stad aankomt ziet haar schoonmoeder wat ze heeft opgelezen; zij haalt tevoorschijn en geeft aan haar wat ze heeft overgehouden nadat ze verzadigd was.
|
| 2:19 | Haar schoonmoeder zegt tot haar: wáár toch heb je vandaag opgelezen en wáár ben je doende geweest?- wie jou zo erkend heeft zij gezegend! Dan meldt zij aan haar schoonmoeder met wie zij doende is geweest en zegt: de naam van de man met wie ik doende was vandaag, is Boaz!
|
| 2:20 | Noömi zegt tot haar schoondochter: gezegend zij hij door de Ene, die zijn vriendschap niet heeft onttrokken aan de levenden en de doden! Dan zegt Noömi tot haar: de man staat ons ná, een van onze lossers is hij!
|
| 2:21 | Ruth de Moabitische zegt: ook omdat hij tot mij heeft gezegd: aan de jongens die bij mij horen mag je je vastklampen, totdat ze voleindigd hebben al het maaiwerk dat van mij is!
|
| 2:22 | Noömi zegt tot Ruth, haar schoondochter: goed is het, mijn dochter, dat je er op uittrekt met zijn meisjes en ze zich niet aan je opdringen, op een ander veld!
|
| 2:23 | Ze klampt zich vast aan de meisjes van Boaz, om op te lezen totdat voleindigd is de maaitijd van de gerst en de maaitijd van de tarwe; dan zit ze neer bij haar schoonmoeder.
|
| Lees hoofdstuk 1 | Lees hoofdstuk 3 |