Terug naar zoeken
2:1


Noömi heeft

een bekende van haar man,
een man die een kerel van vermogen is,
uit de familie van Elimelech;
zijn naam is Boaz,- in wie kracht is.

2:2


Ruth de Moabitische zegt tot Noömi:

laat ik toch het veld op gaan en aren lezen
achter hem
in wiens ogen ik genade vind!
En zij zegt tot haar: ga, mijn dochter!

2:3


Zij gaat, komt aan en leest aren op het veld

achter de maaiers aan;
bij toeval valt haar toe
het deel van het veld dat van Boaz is,
die uit de familie van Elimelech is.

2:4


En zie, daar komt

uit Betlehem Boaz aan
en zegt tot de maaiers: de Ene zij met u!
En zij zeggen tot hem: u zegene de Ene!

2:5


Dan zegt Boaz tot zijn hulpjongen

die aangesteld is over de maaiers:
van wie is dat meisje?

2:6


Dan antwoordt

de jongen die aangesteld is
   over de maaiers
   en zegt:

een Moabitisch meisje is zij,
dat met Noömi is teruggekeerd
   van het veld van Moab;

2:7


ze zei:

laat mij toch oplezen en inzamelen
   bij de schoven

achter de maaiers –
ze kwam en staat daar
van toen het ochtend werd tot nu toe;
ze is er een die weinig thuis zit!

2:8


Dan zegt Boaz tot Ruth:

je hebt het gehoord, nietwaar mijn dochter?,
ga niet heen om op te lezen
   op een ander veld,

en ook moet je niet oversteken hiervandaan;
klamp je maar vast aan mijn meisjes!-

2:9


met je ogen op het veld dat ze afmaaien

moet je achter hen aan gaan;
en, ik heb de jongens geboden
   je niet aan te raken!-

en krijg je dorst, ga dan naar de vaten
en drink
van wat de jongens zullen scheppen!

2:10


Zij valt neer op haar aanschijn

en buigt zich ter aarde;
ze zegt tot hem:
waarom heb ik genade gevonden
   in uw ogen,

dat u mij erkent terwijl ik
   een uitheemse ben!

2:11


Boaz antwoordt en zegt tot haar:

gemeld en nog eens gemeld is mij
al wat jij je schoonmoeder hebt gedaan
na de dood van je man;
dat je hebt verlaten
je vader en je moeder
en het land van je geboorte
en bent gegaan
naar een gemeenschap
die je gisteren en eergisteren niet kende!-

2:12


moge de Ene jou je werk vergelden;

moge je loon tot vrede zijn
van bij de Ene, Israëls God
onder wiens vleugels je bent komen schuilen!

2:13


Dan zegt zij: ik vind genade in uw ogen,
   mijn heer, omdat u mij hebt getroost

en omdat u hebt gesproken tot het hart
   van uw dienstmaagd;

terwijl ik niet ben
als ook maar één van uw dienstmaagden!

2:14


Tegen etenstijd zegt Boaz tot haar:

treed nader hierheen, eten moet je
   van het brood

en je bete dopen in de gistmost!
Ze mag zitten aan de zijde van de maaiers,
en hij reikt haar geroosterd koren aan;
ze eet, wordt verzadigd en houdt over.

2:15


Ze staat op om weer op te lezen;

dan gebiedt Boaz zijn jongens en zegt hij:
ook tússen de schoven mag zij oplezen,
   en beschaamt haar niet!-

2:16


ook moet ge wat voor haar

uit de bundels roven
en achterlaten, dat zij het kan oplezen,
en berispt haar daarover niet!

2:17


Zij leest aren op het veld tot aan de avond;

als ze uitklopt wat ze heeft opgelezen
is het ongeveer een efa gerst.

2:18


Als ze dat meedraagt en in de stad aankomt

ziet haar schoonmoeder
   wat ze heeft opgelezen;

zij haalt tevoorschijn en geeft aan haar
wat ze heeft overgehouden
   nadat ze verzadigd was.

2:19


Haar schoonmoeder zegt tot haar:
   wáár toch heb je vandaag opgelezen
   en wáár ben je doende geweest?-

wie jou zo erkend heeft zij gezegend!
Dan meldt zij aan haar schoonmoeder
met wie zij doende is geweest
en zegt:
de naam van de man met wie ik doende was
   vandaag, is Boaz!

2:20


Noömi zegt tot haar schoondochter:

gezegend zij hij door de Ene,
die zijn vriendschap niet heeft onttrokken
aan de levenden en de doden!
Dan zegt Noömi tot haar:
de man staat ons ná,
een van onze lossers is hij!

2:21


Ruth de Moabitische zegt:

ook omdat hij tot mij heeft gezegd:
aan de jongens die bij mij horen
   mag je je vastklampen,

totdat ze voleindigd hebben
al het maaiwerk dat van mij is!

2:22


Noömi zegt tot Ruth, haar schoondochter:

goed is het, mijn dochter,
dat je er op uittrekt met zijn meisjes
en ze zich niet aan je opdringen,
   op een ander veld!

2:23


Ze klampt zich vast

aan de meisjes van Boaz, om op te lezen
totdat voleindigd is de maaitijd van de gerst
   en de maaitijd van de tarwe;

dan zit ze neer bij haar schoonmoeder.

Lees hoofdstuk 1 | Lees hoofdstuk 3