Terug naar zoeken
1:1


Woord* Of: spreken. van de Ene

dat is geschied
tot Joël, zoon van Petoeël.

1:2


Hoort dit, o oudsten,

leent het oor, / alle ingezetenen van het land:
is dit geschied in uw dagen
of in de dagen van uw vaderen?

1:3


Vertelt erover aan uw zonen,-

en uw zonen aan hun zonen
en hun zonen / aan een generatie daarna!

1:4


Wat de knaagbek overliet / vrat de sprinkhaan op,

wat de sprinkhaan overliet / vrat de langpoot op,-
en wat de langpoot overliet / vrat de kaalvreter op.

1:5


Wordt wakker, dronkaards en weent,

jammert, allen die wijn drinkt,-
over de nieuwe wijn
omdat die van uw mond is afgesneden!

1:6


Want over mijn land / is een volk opgeklommen,

kernachtig en niet te tellen;
zijn tanden zijn tanden van een leeuw,
het gebit van een leeuwin heeft het.

1:7


Het heeft mijn wijnstok gemaakt / tot een woestenij

en mijn vijgenboom / tot een geknakte tak;
haar schors heeft het afgeschild / en weggeworpen,
en haar ranken zijn wit geworden.

1:8


Kerm,

zoals een maagd, omgord met een rouwzak,
om de meester van haar meisjestijd!

1:9


Afgesneden is broodgift, en plengoffer,
   van het huis van de Ene,

in rouw zijn de priesters,
die ten dienste staan aan de Ene;

1:10


overweldigd is het veld,

in de rouw de –rode– grond,-
ja, overweldigd is het graan,
verdroogd de most, verlept de olie.

1:11


Staat beschaamd, boeren,

jammert, wijngaardeniers,
over de tarwe en over de gerst,-
want de oogst van het veld is verloren!

1:12


De wijnstok is verdroogd,

de vijgenboom verlept;
granaat,
ook palm en appelboom,
alle bomen te velde drogen in,
ja, beschaamd is de vrolijkheid weggedroogd
   uit de kinderen van Adam.

••

1:13


Omgordt u en weeklaagt, o priesters,

jammert, bedienden van het altaar,
komt en overnacht in rouwzakken,
bedienden van mijn God!-
want onthouden aan het huis van uw God
   wordt broodgift en plengoffer.

1:14


Heiligt een vasten, roept een hoogtij uit,

verzamelt de oudsten,
al gij ingezetenen van het land,
in het huis van de Ene, uw God,-
en schreeuwt het uit tot de Ene!

1:15


Ach, wat een dag!-

want nabij is de dag van de Ene
en als overmacht van de Machtige
   komt hij.

1:16


Is niet tegenover onze ogen
   het eten weggemaaid,-

uit het huis van onze God
   vreugde en gejuich?

1:17


Verschrompeld zijn de zaadkorrels

onder hun aardkluiten,
voorraadkamers verwoest,
schuren gesloopt,-
omdat het graan verschrompeld is.

1:18


Ja, de dieren zuchten eronder;

de kuddes rundvee zijn onrustig
omdat er geen weide voor hen is,-
zelfs de schaapskudden
   lijden onder die schuld.

1:19


Tot u, Ene, roep ik,-

omdat een vuur
de oases in de woestijn heeft verteerd
en een vlam
alle bomen op het veld heeft verzengd!

1:20


Zelfs het gedierte des velds
   smacht naar u,-

omdat beddingen vol water zijn verdroogd
en een vuur
de oases in de woestijn heeft verteerd.

Lees hoofdstuk 2