Terug naar zoeken
4:1


Als je omkeert, Israël,

is de tijding van de Ene,
   dan keer je naar mij terug;

als je je griezels verwijdert
   van mijn aanschijn,

dan hoef je niet heen en weer te zwalken;

4:2


zweren zul je dan ‘bij het leven van de Ene

in waarachtigheid, recht en gerechtigheid,-
en volkeren zullen zich gezegend weten
   door hem
   en door hem zich gelukkig prijzen.

••

4:3


Want zó heeft gezegd de Ene

tot het manvolk van Juda en tot Jeruzalem:
legt uw land opnieuw in het licht,-
zaait niet meer tussen de doornen!-

4:4


besnijdt u voor de Ene:

verwijdert de voorhuiden van uw hart,
manvolk van Juda, en Jeruzalem!,
anders zal mijn gramschap uitvaren
   als het vuur

en branden zonder dat iemand blust,
gezien het kwaad van uw handelingen.

4:5


Meldt in Juda

en laat in Jeruzalem horen en zegt,
geeft in het land stoten
   op de ramshoorn,-

roept voluit en zegt:
verzamelen!, laten we zien aan te komen
   in de vestingsteden!

4:6


Hijst het sein ‘op Sion aan!’,

bergt u, blijft niet stilstaan!,
want kwaad
laat ik komen vanuit het noorden,
   een grote ramp.

4:7


Een leeuw is opgesprongen
   uit zijn struikgewas,

een die volkeren verderft
is opgebroken,
   uitgetrokken uit zijn woonoord,-

om je land te maken tot een woestenij,
je steden te vernielen tot er niemand meer zit.

4:8


Omgordt u daarom met rouwzakken,
   weeklaagt en huilt het uit,-

want het gloeien van de toorn van de Ene
   is niet van ons afgekeerd!

4:9


Geschieden zal het te dien dage,
   is de tijding van de Ene,

dat het hart van de koning
   en het hart van de vorsten vergaat;

verstard staan de priesters
   en de profeten verstommen!

4:10


Toen zei ik:

ach, mijn Heer, Ene!,
echt, vol misleiding hebt ge
   deze gemeenschap en Jeruzalem misleid,
   door te zeggen

‘het zal vrede voor u zijn’:
reeds heeft een zwaard de ziel bereikt!

4:11


Te dien tijde

zal tot deze gemeenschap en Jeruzalem
   worden gezegd:

een gloeiende wind is
   van de kale hellingen in de woestijn

op weg naar de dochter van mijn manschap,-
en dat niet om te wannen
   en niet om te zuiveren;

4:12


een wind die meer volvoert dan dat
   komt tot mij;

nu
zal ikzelf ook gerichten uitspreken
   over hen!

4:13


Zie, als de wolken komt hij opzetten,

als de windhoos zijn zijn wagens,
lichtvoetiger dan arenden zijn paarden;
wee ons, want wij worden vernield!

4:14


Was je hart schoon van kwaad, Jeruzalem,

opdat je redding vindt;
tot wanneer laat je in je binnenste overnachten
   die onheilige gedachten van jou?

4:15


Want een stem meldt uit Dan,-

en doet onheil horen uit Efraïms bergland:

4:16


maakt het de volkeren indachtig,

zie, doet aan Jeruzalem het horen:
benauwers komen aanzetten
   uit verren lande,-

en tegen de steden van Juda
   verheffen zij hun stem;

4:17


zoals bewakers om een veld

zullen zij rondom haar aanwezig zijn,-
omdat zij tegen mij heeft gerebelleerd,
   is de tijding van de Ene;

4:18


je eigen handel en wandel

hebben je dit alles aangedaan;
het is door je eigen kwaad
   dat je zo bitter bent,

dat het je heeft geraakt tot in je hart!
••

4:19


Mijn lijf, o, mijn lijf!, ik kronkel van pijn:
   de wanden van mijn hart!,
   mijn hart bonst in mij, ik kan niet zwijgen!-

want de stem van een ramshoorn
   heeft mijn ziel gehoord,

oorlogsgeschal!

4:20


‘Ramp op ramp’ wordt er geroepen,

ja, heel het land is vernield;
onverhoeds zijn mijn tenten vernield,
in een oogwenk mijn tentzeilen;

4:21


tot wanneer moet ik die banier zien,-

de stem van die ramshoorn horen?
••

4:22


Hoe dwaas is mijn gemeente,

mij kennen zij niet,
onverstandige kinderen zijn het,
begrip hebben ze niet;
wijs zijn ze als het om kwaaddoen gaat
maar goeddoen, dat kennen ze niet.

4:23


Ik zag het land aan,

en zie, het was woestheid en warboel;
naar de hemelen: weg was hun licht!

4:24


Ik zag de bergen aan,

en zie, die beefden,-
en alle heuvels: ze trilden.

4:25


Ik zag,

en zie, weg was de mens,-
en alle vogels van de hemel waren gevlogen.

4:26


Ik zag,

en zie, de wijngaard was nu de woestijn,-
en al zijn steden
waren gesloopt
   door het aanschijn van de Ene,

de verschijning van de gloed van zijn toorn.
••

4:27


Want zo heeft gezegd de Ene:

een woestenij zal heel het land worden,-
maar niet z’n geheel zal ik zo maken;

4:28


hierom zal het land rouw dragen

en hullen de hemelen boven
   zich in het zwart,-

omdat ik mijn plan heb uitgesproken;
ik heb er geen berouw over
   en keer er niet van terug!

4:29


Van het geluid van ruiter en boogschutter

slaat heel de stad op de vlucht,
zoeken ze een heenkomen in de bossen
en klimmen ze de steenrotsen op;
heel de stad ligt verlaten,
niemand meer die daarin verblijf houdt.

4:30


En jij, verwoeste, wat denk je te doen?-

al kleed je je in purper,
   al sier je je met een sieraad van goud,

al schuur je je ogen met zwartsel,
tevergeefs tut je je op:
die je het hof maakten hebben je verworpen,
   zoeken nu je ziel!

4:31


Want een stem als van een vrouw
   die kronkelt van pijn heb ik gehoord,

angst als van een die een eersteling baart,
de stem van de dochter Sions
die naar adem snakt,
   haar handen uitspreidt:

o wee mij,
want mijn ziel is afgemat
   door wie mij willen wurgen!

Lees hoofdstuk 3 | Lees hoofdstuk 5