Terug naar zoeken
9:1


Maar hij roept de twaalf bijeen

en geeft hun macht en gezag
over alle demonieën
en om ziekten te genezen.

9:2


Hij zendt hen uit

om het koningschap van God te prediken
en (de zieken) te helen.

9:3


Hij zegt tot hen:

neemt niets mee voor onderweg,-
geen staf, geen reiszak,
geen brood en geen geld,
en ook moet ge geen twee hemden
hebben;

9:4


en welk huis ge moogt binnengaan,-

verblijft daar totdat ge daaruit weggaat!-

9:5


en overal waar ge niet welkom zijt,-

schudt, als ge uit die stad weggaat,
het stof van uw voeten,
tot een getuigenis tegen hen!

9:6


Maar ze zijn gegaan, eropuit,

en her en der gegaan, de dorpen langs,
allerwegen verkondigend en genezend.

9:7


Maar Herodes de viervorst

hoort van alle dingen die geschieden.
Hij is in verlegenheid geraakt
doordat door sommigen wordt gezegd
dat Johannes is opgewekt uit de doden,

9:8


door sommigen dat Elia is verschenen

en door anderen dat
een van de profeten van vroeger
is opgestaan.

9:9


Maar Herodes zegt:

Johannes heb ík onthoofd; wie is dan híj
over wie ik zulke dingen hoor?
En hij is ernaar gaan zoeken om hem te zien.

9:10


Bij hun terugkeer

verhalen de apostelen hem
al wat ze hebben gedaan.
Hij neemt hen bij zich en wijkt uit, alleen,
naar een stad met roepnaam Betsaïda.

9:11


Maar de scharen krijgen er kennis van

en volgen hem;
hij heeft ze verwelkomd
en heeft tot hen gesproken
van het koningschap van God,
en die genezing nodig hadden heeft hij geheeld.

9:12


Maar de dag begint te dalen;

de twaalf komen tot hem en zeggen:
laat de schare met rust,
opdat zij trekken
naar de dorpen en velden rondom
en rust en voedsel vinden,
omdat we hier zijn op een plek
van enkel woestijn!

9:13


Maar hij zegt tot hen:

geven jullie eten aan hen!
Zij zeggen:
er zijn voor ons niet meer dan
vijf broden en twee vissen;
of moeten wíj vertrekken en
spijzen kopen voor heel deze gemeenschap?

9:14


Want het zijn

zo’n vijfduizend mannen geweest.
Maar hij zegt tot zijn leerlingen:
laat ze gaan neerliggen
in liggingen van zo’n vijftig!

9:15


Ze doen zo en laten allen neerliggen.

9:16


Maar hij neemt de vijf broden

en de twee vissen,
kijkt op naar de hemel en zegent ze.
Hij breekt ze en geeft ze aan de leerlingen
om voor te zetten aan de scharen.

9:17


En die eten en worden verzadigd, állen.

Het overschot aan brokken
dat door hen wordt opgehaald
is twaalf korven.

9:18


Het geschiedt

als hij om te bidden alleen is
dat zijn leerlingen bij hem zijn
en hij hun een vraag stelt en zegt:
wie zeggen de scharen dat ik ben?

9:19


Maar zij antwoorden en zeggen:

Johannes de Doper;
anderen: Elia, anderen
dat een profeet, iemand van de vroegeren,
is opgestaan.

9:20


Maar hij zegt tot hen: en gíj,

wie zegt gíj dat ik ben?
Petrus antwoordt en zegt:
de gezalfde van God!

9:21


Maar bestraffend kondigt hij aan hen af

dit aan niemand te zeggen,

9:22


omdat -zegt hij- de mensenzoon

vele dingen zal moeten lijden
en door de oudsten, heiligdomsoversten
en schriftgeleerden verworpen zal worden;
hij zal ter dood gebracht worden
en ten derden dage worden opgewekt!

9:23


Maar tot allen heeft hij gezegd:

als iemand het wil: achter mij aan komen,
dan moet hij zichzelf verloochenen
en zijn kruis opheffen,-
dagelijks!- en mij volgen;

9:24


want wie zijn lijf-en-ziel wil redden

zal haar verliezen;
maar wie zijn lijf-en-ziel zal verliezen
omwille van mij, die zal haar redden;

9:25


want wat is een mens ermee gebaat

als hij de hele wereld wint
maar zichzelf verliest
of wordt beschadigd?-

9:26


want wie zich

voor mij en mijn woorden schaamt,
voor hem zal de mensenzoon zich schamen
wanneer hij komt in zijn glorie
en die van de Vader
en van de heilige engelen;

9:27


maar ik zeg u: het is waar,

enkelen zijn er onder hen die hier staan
die de dood niet zullen proeven
voordat zij het koningschap van God
hebben gezien!

9:28


Maar het geschiedt zo’n acht dagen later

na deze woorden
dat hij Petrus, Jakobus en Johannes
meeneemt
en opklimt naar het bergland,
om te aanbidden.

9:29


En het geschiedt terwijl hij bidt

dat het aanzien van zijn aanschijn
anders wordt
en zijn kleding stralend wit.

9:30


En zie, twee mannen

hebben met hem samengesproken;
het zijn Mozes en Elia geweest,
die, te zien in glorie,
hem zijn uittocht hebben aangezegd

9:31


die hij weldra zou gaan volbrengen

in Jeruzalem.

9:32


Maar Petrus en die met hem waren

zijn loodzwaar geweest van slaap,
maar nu ze doorgaan te waken
zien ze zijn glorie,
en de twee mannen die daar met hem staan.

9:33


En het geschiedt

als zij zich van hem verwijderen,
dat Petrus tot Jezus zegt:
meester, het is goed dat wij hier zijn;
laten we drie tenten maken:
een voor u, een voor Mozes en een voor Elia!,
niet wetend wat hij zegt.

9:34


Maar terwijl hij dit zegt geschiedt er een wolk

die hen heeft overschaduwd;
ze worden bevreesd
als zij in de wolk binnenkomen.

9:35


Er geschiedt een stem vanuit de wolk

die zegt:
deze is mijn zoon, de uitgelezene,-
hoort naar hem!

9:36


En terwijl de stem geschiedt

is alleen Jezus daar te vinden.
Zij zwijgen
en verkondigen in die dagen aan niemand iets
van wat zij hebben gezien.

9:37


Maar het geschiedt de volgende dag,

als zij de berg af naar beneden komen,
dat een talrijke schare hem tegemoet treedt.

9:38


En zie, een man uit de schare schreeuwt

en zegt: leermeester, ik smeek je
een blik te werpen op mijn zoon;
omdat hij eniggeborene voor mij is!,

9:39


en zie, een geest neemt bezit van hem

en plotseling krijst hij en
laat hem stuiptrekken en schuimbekken,
en als hij hem heeft gebroken
wijkt hij nauwelijks van hem;

9:40


ik heb je leerlingen gesmeekt

of zij hem willen uitwerpen,
maar zij hebben de kracht niet!

9:41


Maar ten antwoord zegt Jezus:

o ongelovig en verworden geslacht,
tot wanneer zal ik bij u zijn en u verdragen?-
jij, breng je zoon hier!

9:42


Maar hij is nog niet eens bij hem gekomen

als de demonie hem verscheurt
en hem heen en weer schudt.
Maar Jezus bestraft de onreine geest;
hij heelt de jongen
en geeft hem terug aan zijn vader.

9:43


Maar allen zijn uit het veld geslagen

over de grootheid van God.
Maar terwijl allen zich verwonderen
over alle dingen die hij heeft gedaan,
zegt hij tot zijn leerlingen:

9:44


gij, knoopt deze woorden in uw oren:

ja, de mensenzoon zal weldra worden
overgegeven in handen van mensen!

9:45


Maar zij hebben deze uitspraak

niet kunnen kennen;
hij bleef voor hen verhuld,
zodat ze hem niet konden vatten;
en ze zijn bevreesd geweest
om hem een vraag te stellen
over deze uitspraak.

9:46


Maar er komt een twistgesprek

bij hen op
over wie van hen de grootste is.

9:47


Maar als Jezus weet krijgt

van dit twistgesprek van hun hart,
neemt hij een jongetje bij de hand,
laat het naast hem staan

9:48


en zegt tot hen: wie dit jongetje

verwelkomt in mijn naam,
verwelkomt mij;
en wie mij verwelkomt,
verwelkomt wie mij zendt;
ja, de kleinste
die zich onder u allen bevindt,
die is dan groot!

9:49


Maar ten antwoord zegt Johannes:

meester, we hebben iemand gezien
die in uw naam demonieën uitwerpt,
en we hebben het hem verhinderd,
omdat hij niet met ons volgt!

9:50


Maar Jezus zegt tot hen: verhindert het niet!-

want wie niet tegen u is, is vóór u!

9:51


Maar het geschiedt

als de dagen van zijn opneming
in vervulling gaan
dat hij zijn aanschijn strak erop richt
om naar Jeruzalem te trekken

9:52


en voor zijn aanschijn

aankondigers uitzendt.
Zij vertrekken en komen binnen
in een dorp van Samaritanen
om voor hem (een en ander) gereed te maken.

9:53


En die verwelkomen hem niet,

omdat zijn aanschijn
is geweest: trekkend naar Jeruzalem.

9:54


Maar als ze dat zien,

zeggen de leerlingen
Jakobus en Johannes:
heer, wil je dat we zeggen
dat ‘vuur van de hemel zal
neerdalen en hen zal verteren’ (2 Kon. 1,10-12)?

9:55


Maar hij keert zich om en bestraft hen;

Hij zegt: ge weet niet
wat voor geest u bezielt!

9:56


Ze vertrekken naar een ander dorp.

9:57


Terwijl zij over de weg trekken

zegt iemand tot hem: ik zal u volgen
waarheen u ook gaat!

9:58


Jezus zegt tot hem:

de vossen hebben holen
en de vogels van de hemel
hebben woningen beneden,
maar de mensenzoon heeft niets
waar hij zijn hoofd kan neerleggen!

9:59


Maar tot een ander zegt hij: volg mij!

Maar die zegt:
vergun mij dat ik eerst heenga
om mijn vader te begraven.

9:60


Maar hij zegt tot hem:

laat het aan de doden over
om hun doden te begraven!-
jij, ga heen en verkondig overal
het koningschap van God!

9:61


Maar ook een ander zegt:

ik zal u volgen, heer,
maar vergun mij eerst
afscheid te nemen
van wie tot mijn huis behoren!

9:62


Maar Jezus zegt tot hem:

niemand die de hand
aan de ploeg slaat en achterom kijkt
is inzetbaar
voor het koningschap van God!

Lees hoofdstuk 8 | Lees hoofdstuk 10