Terug naar zoeken
8:1


Maar het geschiedt vervolgens

dat híj zijn weg is gegaan,
langs stad en dorp
predikend en aankondigend
het koningschap van God,-
met bij zich de twaalf

8:2


en enkele vrouwen die waren genezen van

boze geesten en van ziekten:
Maria met de roepnaam Magdalena,
uit wie zeven demonieën zijn weggegaan,

8:3


Johanna, de vrouw van

Herodes’ landvoogd Choesas,
Susanna en vele andere
die hun van dienst zijn geweest
met wat zij onder zich hadden.

8:4


Maar als een talrijke schare samenstroomt,

omdat er per stad op hem aantrekken,
zegt hij in een zinnebeeld:

8:5


de zaaier gaat uit om zijn zaad te zaaien;

terwijl hij zaait valt ervan langs de weg:
dat wordt vertrapt,
en de vogels van de hemel eten het op;

8:6


een ander deel valt op de rotsgrond:

terwijl het opgroeit verdort het,
omdat het geen vocht heeft;

8:7


een ander deel valt

midden tussen de dorens;
de dorens groeien mee op en verstikken het;

8:8


een ander deel valt

in de goede aarde, groeit
en draagt honderdvoudige vrucht!
Dat zeggend heeft hij luid geroepen:
wie oren om te horen heeft moet horen!

8:9


Maar zijn leerlingen hebben hem gevraagd:

wat wil dit zinnebeeld?

8:10


Maar hij zegt:

aan u is het gegeven
de geheimen van Gods koningschap
te kennen,
aan de overigen in zinnebeelden,
opdat zij
‘ziende niet zien en horende
niet verstaan’ (Jes. 6,9-10);

8:11


maar dit is het zinnebeeld:

het zaad is het spreken van God;

8:12


maar die langs de weg

zijn zij die het horen;
vervolgens komt de tweedrachtzaaier
en neemt het gesprokene weg
van hun hart, opdat zij niet
gaan geloven en worden gered;

8:13


maar die op de rots

zijn zij die wanneer zij het horen
het gesprokene met vreugde ontvangen;
en dezen hebben geen wortel:
die voor een moment geloven
en in een moment van beproeving
afstand nemen;

8:14


maar wat in de dorens valt,

dezen zijn het die horen
en onder zorgen, rijkdom
en de genietingen des levens doorgaand
gaandeweg worden verstikt
en het niet uitdragen;

8:15


maar dat van ‘in de edele aarde’,

dezen zijn het
die met een edel en goed hart
het gesprokene horen
en in volharding vrucht dragen;

8:16


maar niemand die een lamp aansteekt

verstopt die in een kruik
of zet hem onder een rustbank;
nee, hij zet hem op een lampvoet,
opdat wie binnentreden
het licht kunnen bekijken;

8:17


want er is niets verborgens

dat niet openbaar zal worden
en geen verborgenheid
die niet bekend wordt
en in de openbaarheid komt;

8:18


kijkt dan uit hoe ge hoort;

want wie heeft-en-houdt,
aan hem zal gegeven worden;
en wie niet heeft-en-houdt,
ook wat hij meent te houden
zal hem worden afgenomen!

8:19


Maar zijn moeder landt bij hem aan,

en ook zijn broers;
vanwege de schare
zijn zij niet bij machte geweest hem te bereiken.

8:20


Maar hem wordt aangekondigd:

buiten staan je moeder en je broers
en willen je zíen!

8:21


Maar ten antwoord zegt hij tot hen:

mijn moeder en mijn zusters-en-broeders,
dat zijn zij die het spreken van God
horen en doen!

8:22


Maar het geschiedt op een van de dagen:

hij stapt in een boot,
hij en zijn leerlingen,
en zegt tot hen: laten we oversteken
naar de overkant van het meer!
En ze koersen óp.

8:23


Maar terwijl zij varen slaapt hij in.

Er daalt een wervelwind neer op het meer;
ze zijn volgelopen en in nood geraakt.

8:24


Maar ze komen bij hem,

wekken hem, zeggend:
meester, meester, we vergaan!
Maar helemaal ontwaakt, bestraft hij
de wind en de woestheid van het water,
en die houden op,
en wat geschiedt, is: stilte.

8:25


Maar hij zegt tot hen:

wáár is uw geloof?
In vreze en verwondering
zeggen zij tot elkaar: wie ís hij toch?-
dat hij én de winden én het water
opdrachten geeft
en zij hem onderhorig zijn!

8:26


Ze zakken af naar

de landstreek van de Gerasenen,-
die tegenover Galilea ligt.

8:27


Maar als hij uittrekt het land op,

treedt zomaar een man
hem tegemoet, uit de stad;
hij heeft demonieën in zich:
sinds geruime tijd
trekt hij geen kleding meer aan
en verblijft hij niet in een huis
nee, in de rotsgraven.

8:28


Maar als hij Jezus ziet

valt hij opschreeuwend voor hem neer
en met grote stem zegt hij:
wat is er tussen mij en jou,
Jezus, zoon van God de Allerhoogste?-
ik smeek je: pijnig me niet!

8:29


Want hij heeft aan de onreine geest

afgekondigd dat hij moet
uittrekken uit deze mens;
want tijden lang heeft hij hem aangegrepen,
en moest hij, ter bewaking,
met kettingen en voetboeien
vastgebonden worden;
maar dan verbrak hij de banden
en werd hij door de demonie
de woestijnen ingedreven.

8:30


Maar Jezus vraagt hem: wat is je naam?

Hij zegt: Legioen!-
omdat de demonieën met vele
in hem zijn binnengekomen.

8:31


Ze hebben hem aangeroepen

dat hij hun niet zou opdragen
de afgrond in te gaan.

8:32


Maar er is daar een kudde van

heel wat zwijnen geweest
die geweid werd in het bergland;
ze roepen hem aan dat hij hun zal toestaan
hén binnen te komen,
en hij staat hun dat toe;

8:33


maar wegkomend uit die mens

komen de demonieën bij de zwijnen binnen;
de kudde beweegt zich van de helling af
het meer in en verdrinkt.

8:34


Maar als zij die hen weiden

zien wat is geschied,
vluchten ze en verkondigen het
aan de stad en aan de velden.

8:35


Maar zij komen naar buiten

om te zien wat is geschied;
ze komen aan bij Jezus
en vinden de mens,
uit wie de demonieën zijn gekomen,
gekleed en bij zijn verstand
zittend aan de voeten van Jezus;
zij worden bevreesd.

8:36


Maar zij die alles hebben gezien

verkondigen aan hen
hoe hij die door demonieën werd beheerst
is gered.

8:37


Heel de menigte

uit de landstreek van de Gerasenen
vraagt hem om bij hen weg te gaan,
omdat zij omvat zijn door grote vreze;
en hij stapt in de boot en keert terug.

8:38


Maar de man

uit wie de demonieën zijn gekomen
heeft hem gesmeekt
met hem samen te mogen zijn;
maar hij laat hem los, zeggend:

8:39


keer terug naar je huis

en verhaal al wat God je heeft gedaan!
Hij gaat weg,
heel de stad door predikend
al wat Jezus aan hem heeft gedaan.

8:40


Maar als Jezus terugkeert

heet de schare hem welkom,
want allen zijn ze
veel van hem gaan verwachten.

8:41


En zie, er komt een man aan

wiens naam is Jaïrus;
hij is de overste van de samenkomst geweest.
Neervallend voor Jezus’ voeten
heeft hij hem gesmeekt in zijn huis te komen,

8:42


omdat de eniggeboren dochter

van zo’n twaalf jaren die hij had
stervende was.
Toen hij erheen ging,
verstikten de scharen hem.

8:43


Een vrouw die sinds twaalf jaren

een bloedvloeiing heeft,
aan heelmeesters heel haar levensonderhoud
vergooit
en door niemand genezen kan worden,

8:44


komt van achteren naar hem toe

en grijpt de franje van zijn kleed vast;
en onmiddellijk
staat haar bloedvloeiing stil.

8:45


Jezus zegt:

wíe is dat die mij vastgrijpt?
Als allen het loochenen zegt Petrus:
meester, de scharen
omvatten u en dringen u weg!

8:46


Maar Jezus zegt:

iemand heeft mij vastgegrepen,
want ík herkende dat er een kracht
uit mij is gekomen!

8:47


Maar de vrouw ziet in dat zij

niet onopgemerkt blijft
en komt bevend naar voren;
ze valt voor hem neer
en heeft voor het aanschijn van
heel de gemeenschap verkondigd
om welke reden zij hem heeft vastgegrepen,
en hoe zij onmiddellijk is geheeld.

8:48


Maar hij zegt tot haar:

dochter, je geloof heeft je gered;
‘ga heen tot vrede’ (1 Sam. 1,17)!

8:49


Hij is nog niet uitgesproken

of daar komt iemand
bij de samenkomst-overste en zegt:
je dochter is gestorven;
kwel de leermeester niet!

8:50


Maar Jezus hoort dat en antwoordt hem:

vrees niet, geloof alleen,
zij zal worden gered!

8:51


Maar als hij bij het huis aankomt

laat hij niemand met hem binnenkomen
dan Petrus, Johannes en Jakobus,
en de vader van het meisje en de moeder.

8:52


Maar allen hebben haar beweend

en betreurd;
maar dan zegt hij: weent niet,
ze is niet gestorven, nee, ze slaapt!

8:53


Ze hebben hem uitgelachen,

wetend dat ze was gestorven.

8:54


Maar híj grijpt krachtig haar hand

en zegt met luider stem:
meisje, word wakker!

8:55


Haar geestesadem keert terug

en onmiddellijk staat zij op;
hij draagt op
dat haar te eten wordt gegeven.

8:56


Haar ouders staan versteld.

Maar hij kondigt voor hen af
om aan niemand te zeggen wat is geschied.

Lees hoofdstuk 7 | Lees hoofdstuk 9