| 21:1 | Maar als hij opkijkt ziet hij de rijken hun giften in de schatbewaking werpen;
|
| 21:2 | maar hij ziet ook zomaar een weduwe, een behoeftige, er twee centen inwerpen,
|
| 21:3 | en hij zegt: echt waar, ik zeg u: deze arme weduwe werpt er meer in dan alle anderen!-
|
| 21:4 | want die allen werpen uit hun óvervloed iets bij de gaven, maar zíj werpt vanuit haar tekort heel de leeftocht die ze had erin!
|
| 21:5 | Als enkelen zeggen over het heiligdom dat het met fraaie stenen en wijgeschenken is gesierd, zegt hij:
|
| 21:6 | dit alles wat ge nu aanschouwt,- er zullen dagen komen waarin geen steen op een steen gelaten zal worden die niet zal worden weggebroken.
|
| 21:7 | Maar ze vragen hem en zeggen: leermeester, wanneer zal dat zijn, en wat is het téken, wanneer dat alles gaat geschieden?
|
| 21:8 | Maar hij zegt: kijk uit dat ge niet in dwaling geraakt!- want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen ‘ík ben het’ en ‘het moment is genaderd’: trekt niet achter hen aan!-
|
| 21:9 | maar wanneer ge zult horen van oorlogen en opstanden raakt dan niet in de war: want dat ‘moet éérst geschieden’ (Dan. 2,28),- nee, het is niet meteen het einde!
|
| 21:10 | Toen heeft hij tot hen gezegd: ‘ontwaken zal volk tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk’ (Jes. 19,2);
|
| 21:11 | maar er zullen grote aardbevingen zijn en op plaatsen her en der hongersnoden en pestepidemieën,- vreselijke dingen en vanuit de hemel grootse tekenen zullen er zijn.
|
| 21:12 | Maar vóór dat alles zullen ze hun handen op u werpen en u vervolgen, door u over te geven aan de samenkomsten en de bewakingen, door u af te voeren naar koningen en landvoogden omwille van mijn naam!
|
| 21:13 | Het zal voor u uitlopen op getuigen.
|
| 21:14 | Welnu, zet het u in uw harten om niet vooruit te piekeren hoe u te verdedigen;
|
| 21:15 | want ikzelf zal u een mond geven. en een wijsheid die allen die tegen u in het geweer komen niet zullen vermogen te weerstaan of weerspreken.
|
| 21:16 | Maar ge zult wel overgegeven worden, zelfs door ouders en broers, verwanten en vrienden, ook zullen ze er uit uw midden doden;
|
| 21:17 | ge zult door allen gehaat wezen vanwege mijn naam,
|
| 21:18 | maar geen haar van uw hoofd gaat verloren;
|
| 21:19 | door uw volharding zult ge uw levens-en-zielen winnen!
|
| 21:20 | Maar wanneer ge Jeruzalem omringd zult zien door legers, onderkent dán dat haar verwoesting is genaderd.
|
| 21:21 | Laten dán wie in Judea zijn vluchten naar de bergen; laten wie in haar midden zijn de wijk nemen naar buiten en wie in de uitwijkgebieden zijn niet in haar binnenkomen,-
|
| 21:22 | omdat dát de ‘dagen van de wrake’ zijn
(Deut. 32,35; Hos. 9,7) waarin vervuld wordt alles wat geschreven is.
|
| 21:23 | Wee haar die het in de schoot hebben en haar die zogen in die dagen!- want er zal grote nood zijn over het land en toorn voor deze gemeenschap.
|
| 21:24 | Ze zullen vallen door de mond van het zwaard en gevangelijk worden afgevoerd naar alle volkeren; Jeruzalem zal worden vertreden door volkeren totdat ‘momenten van volkeren’ zijn vervuld.
|
| 21:25 | Er zullen tekenen zijn door zon, maan en sterren,- over het land een gedrang van volkeren, in radeloosheid om ‘geschal van zee en golfslag’ (Ps. 65,8),
|
| 21:26 | terwijl mensen ontzield raken van vrees en vermoeden van wat komen gaat over de bewoonde (wereld), want de krachten der hemelen zullen wankelen.
|
| 21:27 | En dán zullen ze zien ‘de mensenzoon komend in een wolk’
(Dan. 7,13) met kracht en grote glorie.
|
| 21:28 | Maar als dit alles begint te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, doordat uw verlossing nadert!
|
| 21:29 | Hij zegt het hun met een zinnebeeld: ziet de vijgenboom aan, en álle bomen:
|
| 21:30 | wanneer ze alweer uitbotten en ge kijkt ernaar, dan herkent ge vanzelf dat de zomer alweer nabij is;
|
| 21:31 | zo moet gij ook wanneer ge deze dingen ziet geschieden, herkennen dat het koningschap van God nabij is!-
|
| 21:32 |
amen, ik zeg u dat deze generatie niet voorbij zal gaan voordat dit alles is geschied!- |
| 21:33 | de hemel en het aardland zullen voorbijgaan maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan;
|
| 21:34 | maar hoedt u dat uw harten nooit bezwaard raken door brasserij, dronkenschap en zorgen over het leven en die dag plotseling over u heen staat
|
| 21:35 | als een klapnet; want komen zal hij ‘over allen die gezeten zijn op het aanschijn van heel het land’ (Jes. 24,17);
|
| 21:36 | maar mijdt de slaap, op elk moment biddend dat ge sterk moogt zijn om te ontvluchten aan dit alles dat op het punt staat te geschieden en staande te blijven voor de mensenzoon!
|
| 21:37 | Maar overdag heeft hij onderricht gegeven in het heiligdom, maar ’s nachts is hij naar buiten gegaan en heeft hij vertoefd tegen de berg aan met de roepnaam ‘van Olijven’.
|
| 21:38 | En heel de gemeenschap is ’s morgens vroeg bij hem in het heiligdom geweest om naar hem te horen.
|
| Lees hoofdstuk 20 | Lees hoofdstuk 22 |